Johan Van Nijen Uitgeverij De Graal
In de Mist

In de omgeving
van Turnhout



Als de wekker om halfacht afloopt, heb ik geen probleem met op te staan. Nochtans heb ik niet zo goed geslapen - ik heb na een plasje vrij lang wakker gelegen - en dan kom ik meestal zeer node uit bed. Maar ik moet dringend gaan wandelen als training voor de grote tochten in de bergen die spoedig beginnen.
Als ik het gordijn opentrek en buiten kijk, zie ik alleen maar mist. Dat is geen weer om te gaan wandelen: het is ongezond en je ziet niets. Even heb ik verschrikkelijke zin om weer in het warme bed onder te duiken en lekker lang te blijven liggen. Maar ik doe het niet.
Het zicht is geen vijftig meter ver op de weg naar het Corsendonkhof in Oud-Turnhout. Je moet wel stapelzot zijn om nu te gaan wandelen. Aan het vertrekpunt zal ik waarschijnlijk wel alleen staan. De enige die zo zot was om toch te vertrekken. Maar het staat er vol: er zijn minstens twintig wandelaars die het niet erg vinden om in de dikke mist rond te trekken.
Ik heb het fototoestel van Heidi meegenomen, want er zit nog altijd een niet volledig opgebruikte filmrol op en die wil ik opschieten. Als men dat toestel voor mijn buik ziet hangen, word ik vriendelijk uitgelachen. Wat wil ik gaan fotograferen? De mist soms?
Ik hoop dat de zon door de mist zal breken en dan zal ik wel enkele mooie onderwerpen voor de lens krijgen. Spijtig genoeg gebeurt dat echter niet. Heel de ochtend blijft de mist als een verstikkende wade over de aarde hangen.
We vertrekken. De tocht begint langs de priorij. Daar floreren de zaken klaarblijkelijk goed. Grote borden verkondigen dat er een nieuwe schuur bijgebouwd wordt en wie de architecten zijn, enz. De schuur moet dienen om meer overnachtingsmogelijkheden te geven.
We stappen door de dikke mist die het zicht beperkt tot een goede vijftig meter en je hebt het gevoel door een zeer begrensde wereld te gaan.
Mijn linker grote teen doet al spoedig een beetje pijn en dat verontrust me.

We passeren ’t Schapershuys en dat wil ik, ondanks de mist, toch fotografisch vastleggen.
Ik kies een standpunt en alle wandelaars gaan me voorbij. Ik druk af en neem dan mijn notaboekje om wat gegevens op te schrijven. Ik zie de wandelaars nog voor me uit gaan. Als ik de gegevens heb opgeschreven - hoe lang duurt dat? - het boekje heb weggestoken en opkijk, zie ik niemand meer. Jawel, ik zie nog net links iemand verdwijnen. Maar was dat wel een wandelaar van mijn groep?
Ik begin sneller te stappen, passeer een weg links, maar zie niemand. We zaten op een Grote Routepad en ik besluit dat nog een eind te volgen. Ik begin te lopen. Ik wil de groep inhalen. Ik houd met een hand het boxke op mijn buik vast en met de andere het klapperende zakje - waarin een flesje water en een stuk chocolade - op mijn rug. Aan een wegsplitsing ga ik rechtsaf. Ik hol nog wat door. Na een poos stop ik. Zo ver konden ze nu ook weer niet vooruit zijn. De wandelaars hebben een andere weg genomen. Ik zit verkeerd. Ik voel me opeens helemaal alleen in die ondoordringbare brij.
Kraaien scheren laag over de aarde en krassen hun aanwezigheid in de mist, wazige vlekken die op en neer bewegen.
Ik heb veel zin om heel hard te roepen in de hoop dat de anderen het zullen horen en antwoorden. Een noodkreet om hulp als het ware. Zou er wel antwoord komen? Ik vrees van niet. Roepen is volkomen zinloos.
Ik denk aan het moment op Corsica, toen Louis en ik verkeerd waren gelopen. Louis begon luidkeels te roepen, te brullen, ook in de hoop op antwoord en om verlost te worden uit een beangstigende situatie. Maar er kwam geen antwoord en tenslotte vonden we de weg terug.
Wat moet ik doen? Het is kwart voor tien. Eerst denk ik eraan om nog een half uur door te stappen en dan gewoon om te draaien, dan heb ik mijn wandeltraining in elk geval gehad. Dat idee laat ik toch varen: alleen lopen in de mist is ook niet zo gezellig.
Ik besluit terug te keren en de weg links, nu rechts, te nemen en die een eind te volgen. Het kan niet anders of ze zijn daar ingeslagen, en als ze een rustpauze houden - het zogenaamde appeltje - haal ik ze misschien nog in.
Op de hoek van de weg staat een kapelletje. Op de zijwand een jaartal in grote cijfers: 1901. Ik zweet en voel me beklemd.

Bomen staan somber en zeer afwezig in de mist. Aan de kale takken van een jonge berk hangen duizenden dauwdruppels. Ze blinken helder en vormen een mooi onderwerp voor een foto. Ik stap echter verder, me voornemend, op de terugweg die boom te fotograferen. Ik zal nog een eindje verder gaan en dan terugkeren. Ik zal vroeg thuis zijn en nog een paar uur tekst kunnen intikken.
Ik zie een wegsplitsing en besluit daar om te keren. Maar op een weg die van links komt, nadert een groep. Zijn dat ook wandelaars? Opduikend uit de mist worden de gezichten herkenbaar. Walter loopt voorop.
Aan het einde van de weg waarover ze nu terugkeren, moesten ze verder over een zeer smal pad tussen twee rijen prikkeldraad, en dat deed men liever niet.
En daarom vind ik weer aansluiting bij de groep en ik ben er zeer blij om. Niemand had me gemist. Ik vind dat op zich niet erg, maar het is toch een beetje verontrustend: je kunt om een of andere reden achterblijven en onwel worden, en noem maar op wat allemaal krijgen, en niemand die het merkt. Misschien ligt dat ook wel aan de mist. Je wordt in jezelf opgesloten.
Keuvelend met de een en met de ander gaat de tocht verder en komt er een einde aan.
Een mistige maar toch leuke tocht. Mijn voeten deden een beetje zeer, maar niet te zeer.
14.01.1990

Home © Uitgeverij De Graal 2008