Gij waart zo schoon om waar te zijn - Gust Van Brussel

Ik kocht voor u een edelsteen
Een steen van duur smaragd
Zo puur als d' ogen van een kind
Ik weet dat gij dat 't schoonste vindt
Daarom kocht ik die edelsteen
Ik had het zo bedacht
Maar gij werd er niet schoner van 
’t Kon u niet puurder maken
want d'ogen van een kind waart gij
daar kon de schoonste vrouw niet bij
en daar weet ik toch alles van
gij waart niet te genaken

(1)
Weet ge nog lief hoe wij tezamen
Op onze rug naar wolken keken
En onze droom voor waarheid namen
Van kinderen die op ons geleken
Ik denk daaraan en aan ons leven 
Nu gij voorgoed gestorven zijt
Gij die mij toch zoveel wou geven
De hemel en zijn eeuwigheid
Gij ging alleen naar ginderboven
En ik lig op mijn oude rug
Te zoeken naar de regenbogen
Och lief ze komen ooit terug

(2)
Ik ben het noorden kwijt mijn lief
Sinds uw adieu loop ik verloren
Ik schreef u na uw dood een brief
Opdat gij mij zou horen
Ik weet het wel 't is zotte praat
Mijn brief zal in mijn schuiven blijven
Maar gij mijn engel zijt in staat
Om met mijn hand te schrijven

(3)
Nu zit ik blak en bloot
Ik vind mijn straat niet meer
Want gisteren is zij weggegaan
Nu is 't voorgoed gedaan
Zij klapte nooit van pijn en zeer
Zij ging nog liever dood
Mijn vlindervrouwke toch
Waar is nu mijn plezier
Zij lachte nog zo schoon naar mij
Maar 't lachen is voorbij
Ik zwelg dan maar wat donker bier
En eet als uit een trog
Ik wrijf mijn stomme kop
Want ‘t is te zwaar om dragen
Haar tranen sprongen uit haar ogen
Haar vingers krom gebogen
Maar 'k wist niet wat te vragen
Ik was toen compleet op
(4)
Mijn klok is plotseling stilgevallen
De wereld stond toen stil
Op 't uur van hare dood
De wijzers hingen zwaar als lood
't Moest ons maar welgevallen
Want was het niet Gods wil
Dan komt de revolutie boven
En ‘k ga in het verweer
Het is te veel voor éne mens
Zoveel dat ik zelfs God verwens
Ik kan niet meer in Hem geloven
Het doet mij teveel zeer
Ik zet de klok toch weer op gang
Terwijl mijn handen beven
En wat ik doe of wat ik laat
Ik voel het in mijn ruggengraat
Die trieste tranen op haar wang
Zijn stukken van mijn leven
Zij was de moeder uitverkoren
Voor elkeen had ze liefde
Zij was het die de lasten droeg
En nooit om helpend' handen vroeg
Of ooit van pijn een klacht liet horen
zelfs niet als men haar griefde
Nu slaapt zij ginder in een wei
Bij zeker duizend lijken
Tot as verbrandt zelfs haar gezicht
Dat mij zo dikwijls had verlicht
Als 't helemaal donker werd in mij
Ik wou op haar gelijken
Zo gaat de wereld zijne gang
Alsof ons niks kan deren
Moest God haar terug doen leven
Ik wil daarvoor mijn leven geven
Dat is't wat ik zo stom verlang
Mijn klok zou 't anders leren
(5)
Er is geen water dat niet loopt
Is het vandaag niet dan is 't morgen
Een mens maakt zich toch altijd zorgen
die voor een cent zijn ziel verkoopt
Er is zoveel om op te rapen
De weelde steekt zijn ogen uit
Hij staat zich daaraan te vergapen
Maar kent van 't schone zelfs geen fluit
En wat is schoner dan uw lief
Waaraan g'uw leven hebt beloofd
Gelegenheden maakt de dief
En liefde wordt rap opgestoofd
(6)
Het licht van hare ogen
Het ging zo stillekes uit
Alsof ze niet wou sterven
En mijn geluk bederven
Zij keek als door een ruit
In triestig onvermogen
Zij wou me zelfs nog helpen
Bij ’t dragen van ‘t verdriet
Zij sprak van vroegere dagen
Hoe graag we ons toen zagen
Want sterven wou ze niet
Zij kon mijn leed niet stelpen
Ik ben geen sterke mens
Ik had zoveel miserie
Met kanker in mijn lijf
En 'k wist heel vaak geen blijf
Met God en zijn mysterie
Maar 'k hoorde toen haar wens
'k Moest wachten op mijn dood
Om bij haar te geraken
Ik zou haar zeker vinden
Al was ik een stekeblinde
Daar zou ze over waken
Ik was een ziel in nood
Dat wil ik nooit vergeten
Hoe zij die dag meteen
Bezorgd was om mijn zorgen
En om de trieste morgen
Als 'k moedermens alleen
Mijn boterham zou eten 
(7)
't Is alles toch maar wind
En wilde jacht op spoken
Dat is nu wat ik vind
Van wie ooit heeft gebroken
Met wie hij heeft bemind
Ge loopt de wereld rond
Om ’t ideaal te vinden
Het maakt u niet gezond
En ge verliest uw vrienden
Met uwe grote mond
En thuis wacht op haar sokken
Als had zij alle tijd
Uw liefste zonder mokken
En met een hart zo wijd
Dat klopt lijk honderd klokken 
(8)
'k Kan niet slapen
'k lig te gapen
lijk een mens zonder verstand
naar die schone overkant
'k zie u na die lange reis
wandelen in 't Paradijs
met ons kindje aan uw hand
dat ge in zijn dood geboren
zoveel jaren hebt verloren
eindelijk is 't bij u beland
'k Kan niet slapen
‘k lig te gapen
lijk een mens zonder verstand
naar die schone overkant
(9)
Ge waart nog jong toen ik u zag
Die keer dat in uw ogen
Iets blonk gelijk een lach
Van ogen die niet logen
Wat doet ge dan als jongeman
Dan gaat ge door het lint
Dan vliegt het uit de pan
Omdat g'haar zo schoon vindt 
(10)
Toen gij ging sterven zag ik uwe lach
Uw schoonste lach waarvan ik zoveel hield
Ik weet het niet wat mij toen heeft bezield
Maar 't was alsof 'k een andere wereld zag
Ik weet nu dat gij mij naar binnen droeg
Zoals ik jaren terug mijn bruid wou dragen
Ik weet dat ge in stervensnood me vroeg
verliefd als toen u nog eens te behagen
(11)
Het is voorbij
Uw lijden is geleden
Nu zijt ge stil geworden als het blad
Waarop ik schrijf

Een propere lei
En enkele gebeden
Want ik verloor het schoonste dat ik had
Waarom ik schrijf 
(12)

Home © Uitgeverij De Graal 2008