Johan Van Nijen Onrust in de Provence
Deel 5 - Arles
Uitgeverij De Graal


Het is kwart over middernacht. Jozef en Jozefa worden bijna gelijktijdig wakker. Het raam is dicht en in de kamer is het drukkend warm. Jozef staat op en opent een helft van het raam. Hij opent ook een helft van het luik en dat piept zo verschrikkelijk dat Jozef vreest dat alle hotelgasten wakker geworden zijn. Muisstil, bijna met ingehouden adem, blijft hij een poosje wachten op reacties. Het verwachte hoteloproer blijft uit: niets rept of roert. Jozef kan weer vrijer ademen. Hij leunt naar buiten en kijkt in de nacht. Het is een heldere nacht. Het uitspansel is bespikkeld met ontelbare sterren, als een reuzenmantel vol flikkerende diamanten. De kam van het bergketentje achter het hotel steekt af tegen de hemel. Jozef kijkt omhoog en zoekt het enige sterrenbeeld dat hij kent: de Grote Beer. Lang hoeft hij niet te zoeken. De Grote Beer tekent zijn beeltenis vlak boven hem. Het volgende wat Jozef altijd zoekt nadat hij de Grote Beer heeft gevonden, dat is de Poolster. Dat is niet moeilijk: het uiteinde van de pan (de Grote Beer lijkt eigenlijk meer op een koekenpan of op een kinderwagen) vijfmaal verlengen. Daar straalt de Poolster. Goed om weten als je het noorden kwijt bent of het noorden zoekt. Jozef geniet van de zalige nacht. Hij ademt de frisse lucht met volle teugen in. - Jozefake, komt gij ook niet eens kijken. De Grote Beer hangt daar te stralen en alle sterren schitteren zoals ik het nog nooit gezien heb. Jozef fluistert om de gewijde nacht niet te verstoren. Hij wil Jozefa graag deelachtig maken aan de schoonheid van de nacht. Het is weer muisstil. Jozefa staat ook op. Nu hangen ze samen door het raam en bewonderen de nacht. Jozefa is de eerste om weer in bed te duiken. Jozef kan niet de hele nacht buiten hangen. Hij trekt het luik zo snel mogelijk dicht in de hoop zo het minste lawaai te maken, maar het gepiep is weer indrukwekkend. De frisse lucht van buiten dringt niet door het hitteschild van de kamer. Binnen blijft het broeien. Jozef en Jozefa liggen op bed en luisteren naar de stilte van de nacht. Dat moment heeft de kikker uitgekozen om het concert dat hij de vorige nacht begon te vervolgen. Hij doorbreekt de stilte en blaast uit alle macht op zijn instrument alsof hij deelneemt aan een wedstrijd 'het hardste kwaken' en de eerste prijs wil behalen. Waar zit dat beestje ergens? vraagt Jozef zich af. Het klinkt vlakbij: dan moet daar toch een poel of een vijver zijn. Jozef valt weer in slaap, Jozefa achterna die al een poosje rustig ligt te ronken. Vandaag staat Arles op het programma. Dat moet een hoogtepunt van de reis worden. Arles, hier komen Jozef en Jozefa. Zij rijden Arles binnen. - Daar kunnen we misschien parkeren, zegt Jozefa. Zij wijst naar een bord met een grote P en een pijl op. - We zullen eens gaan zien. Jozef had het bord ook al opgemerkt. Zij komen in een eenrichtingsstraat aan de Rhone met links en rechts parkeerplaatsen. Links staan de auto's evenwijdig aan de rijrichting, rechts schuin erop. Rechts is een plaatsje vrij. Dat is geluk hebben. Daar zijn ze het beiden over eens. Jozef rijdt het plekje op. Jozefa stapt uit en controleert de situatie. De auto staat te dicht tegen een andere auto. Jozef moet nog wat manoeuvreren tot de stand van de auto aan Jozefa's eisen voldoet. Die klus is weer geklaard. Jozef stapt ook uit. - Jozef, dat is een veel betere plek. Jozefa wijst naar de linkerkant van de weg waar net een auto wegrijdt en een open parkeerplek achterlaat. - Maar hij staat hier toch goed. - Daar staat hij beter, daar kan hij maar aan één kant door een andere auto geraakt worden. Jozef zucht en stapt weer in. Jozefa heeft het aangewezen plekje al bezet om eventuele indringers tegen te houden. Jozef loodst de auto op het nieuw verworven terrein. - Hier staat de auto goed, zegt Jozefa tevreden. - Dan is het goed, zegt Jozef. Het kan hem niet zoveel schelen waar de auto staat -waar hij ook staat, er kan altijd iets mee gebeuren - maar als Jozefa gelukkig is omdat hij nu daar staat, dan is het voor hem ook goed. Hij neemt de rugzak en het fototoestel uit de koffer. Jozefa zit al op een bank tegen de Rhône en smult van een perzik. - Wat is er met uw benen gebeurd? vraagt ze. Jozef bekijkt zijn benen en krijgt een schok. Zijn benen zien blauw. Hoe kan dat nu? Van de uitlaat? Hij kan geen andere verklaring bedenken. Wat de oorzaak ook is, het is geen gezicht: benen blauw als de hemel, maar lang niet zo mooi. Hij neemt een paar vochtige doekjes uit de rugzak en wrijft voorzichtig zijn benen schoon. Hij mag niet te hard wrijven, want dan wrijft hij ook de korstjes weg die zich op de wonden gevormd hebben. De zalf die hij er vanmorgen nog opsmeerde, wrijft hij in ieder geval weg. Dat is spijtig. - Goed dat ge die doekjes bij hebt, zegt Jozefa. - Jawel, maar ik krijg niet alles weg. Mag ik zo meegaan? - Wat dacht u? - Ge weet maar nooit. Hij zet de rugzak en het fototoestel naast Jozefa op de bank en leunt op het muurtje naast de Rhône, die hier een bocht maakt. Jozef kijkt links en rechts over de rivier. Hij voelt de onweerstaanbare aantrekkingskracht waarmee de rivier hem inpalmt en die aanspoort tot het maken van verre reizen, het verkennen van onbekende gebieden. Jozef zucht. Er ligt een groot schip gemeerd, een cruiseschip, maar iedereen is blijkbaar van boord: het bovendek pronkt met lege ligstoelen en er is geen enkel teken van leven te bespeuren. "La Princesse de Provence - Neustadt" leest Jozef op de achtersteven. Er hangt ook een Duitse vlag lusteloos aan de mast. De passagiers zullen Arles bezichtigen. Hij schiet een foto van Jozefa aan de Rhône en dan zijn ze weg. Zij staan bij wijze van spreken buiten de muren van Arles, want veel echte vestingmuren heeft Arles niet meer. Zij kunnen door de poort de stad binnengaan, maar zij verkiezen om eerst de markt te bezoeken die daar nog aan de gang is.

Er zijn bijna uitsluitend groente-, fruit- en bloemenkramen, enkele kramen met brood, kaas en vlees, enkele stands met lederwaren en oude boeken.

Jozefa vergelijkt de prijzen van de perziken met de prijs die zij betaalden en het wordt nogmaals bewezen: zij hebben een echte koop gedaan. Soms is de verleiding groot om iets aan te kopen, maar omdat zij nog een hele dag voor de boeg hebben wordt er wijselijk toch niets gekocht. Daar is een standje met salami's. Het is niet meer dan een tafeltje met een tafelkleed en daarop liggen en hangen aan een staander enkele soorten salami, met en zonder look, witte en rode. Op een bord heeft de verkoper schijfjes salami gesneden. Dat bord wordt Jozef en Jozefa aangeboden. Zo'n gul gebaar kun je niet negeren en zij nemen elk een schijfje. Mumm, dat smaakt lekker. Daarover zijn ze het eens en dat geven zij de verkoper te kennen. Deze prijst zijn waren nog eens enthousiast aan. Zo'n schijfje salami bij de picknick zou niet slecht zijn. Even overwegen zij om een exemplaar aan te schaffen - hij is lekker en niet duur - maar het gezond verstand van Jozefa zegeviert: bij dit heet weer blijft die salami niet goed. Geen salami. Dank u wel, meneer de salamiverkoper, het zal voor een andere keer zijn. Merci en au revoir. De verkoper kijkt een beetje sip: hij was overtuigd zijn waren aan de man te brengen. Jozef en Jozefa stappen nu door de poort en de vraag is: waar beginnen zij hun rondgang. Daar is maar één antwoord op mogelijk: het amfitheater. Verkeerd lopen is onmogelijk: op elke straathoek wijzen bordjes de weg naar de bezienswaardigheden die Arles rijk is. En dat zijn er veel. Jozef en Jozefa lopen een hoekje om en daar ligt het amfitheater: grijs en grauw van ouderdom en van de bezoedelde lucht. En daar wordt weinig aan gedaan: in de smalle straatjes rond het amfitheater jagen de immer vliegende chauffeurs de verbijsterde toeristen de smalle stoep op. Toerist erger je niet.

Maar het is wel mooi, denkt Jozef. Zij staan voor de trappen die naar de ingang leiden. Jozef laat zijn blikken dwalen over de dubbele galerij rondbogen en de toren daarboven op. Ook zijn gedachten dwalen. Hoe was het om toen hier te leven? vraagt hij zich af. Om te beginnen zullen zij eens rond het bouwwerk stappen, beslissen Jozef en Jozefa. Zij verdelen hun aandacht tussen het amfitheater en de vele winkels er rond. Hoe speelden zij het klaar, vraagt Jozef zich af, om tweeduizend jaar geleden zo'n monumentaal maar evenwichtig bouwwerk op te trekken? De winkels zijn een ode aan Vincent van Gogh. Je kunt geen voorwerp zo gek bedenken of de getormenteerde kop van Vincent staat erop of een reproductie van een van zijn vele schilderijen die hij hier borstelde. Toen hij nog leefde werd hij niet geteld, was hij zonder twijfel een vervelende en zonderlinge buitenlander; nu kan men zijn naam niet genoeg van de daken schreeuwen. Toen kreeg hij geen doek verkocht, nu betaalt men zonder verpinken een miljard franken voor zijn zonnebloemen. Van een gekke wereld gesproken. Wat zou Vincent denken of doen als hij nu door deze straten kon wandelen? Van afkeer zijn andere oor afsnijden? Jozefa heeft die bedenkingen niet. Zij bekijkt de jurken en rokken in Provençaalse stijl en levert daar commentaar bij. Zo komt iedereen aan zijn trekken. De rondgang is beëindigd en nu naar binnen. Jozef en Jozefa bestijgen de trappen naar de ingang van het amfitheater, de trappen die naar de vervoering leiden voor de toeschouwers. Het bloedstollende gebrul van de leeuwen doet de kampers verstijven, de gladiatoren vechten op leven en dood. Het gejuich en geroep van de toeschouwers vervult de lucht. Jozef en Jozefa zullen het spektakel missen. Nee, zij zijn nog op tijd en kunnen entreebiljetten bemachtigen. En er is nog plaats in overvloed. Maar het schouwspel valt een beetje tegen, denkt Jozef, een strijdperk helemaal omgeven door metalen buizen en planken in triplex. Dat vloekt met het verleden. Hij voelt het bijna als een aanslag op zijn eigen identiteit.

Jozef en Jozefa gaan op een plank zitten. Het amfitheater is indrukwekkend door zijn afmetingen, maar van buiten veel mooier dan van binnen. Jozef bestijgt de toren boven de ingang. Hij geniet van de uitzichten. Jozefa zit bijna helemaal alleen op de tribune. Jozef kijkt met vertedering naar haar, een nietig wezen in een immens decor, maar die alles voor hem betekent. En dan staan zij weer buiten. Affiches lokken toeschouwers naar het volgende stierengevecht 'Corrida de Novillos'. Het Theatre Antique is vlakbij en dus richten zij hun schreden naar daar. Van dat Romeins theater blijft niet veel meer over en dus is het ook gauw bekeken. Kwamen de intellectuelen van toen hier naar Oedipus kijken, terwijl het plebs zich ging vergapen aan de gladiatoren? vraagt Jozef zich af. Jozef en Jozefa zwerven maar wat rond al hebben zij een lijstje bij van de bezienswaardigheden die zij zeker moeten zien, want er zijn dingen die je moet gezien hebben.

Zij dalen af door een smal straatje, de Rues des Arènes. Van de andere kant komt een groep toeristen hen tegemoet. Zij hebben een gele huidkleur en een fototoestel voor hun buik hangen. Japanners, zeker? Als Jozef en Jozefa en de Japanners op gelijke hoogte zijn, komt er een auto aangestoven. Toet! Toet! De groep toeristen kan niet snel genoeg uiteenspatten. De stoep is zo smal dat Jozef en Jozefa met hun rug tegen de gevels staan. De Japanners staan verspreid opgesteld. De auto stuift voorbij. Jozef en Jozefa willen vol ergernis elkaar met gefronste wenkbrauwen aankijken, maar tussen hen staat een jonge Japanse tegen de gevel geplakt. Zij glimlacht en maakt een kleine revérence. Jozef en Jozefa glimlachen terug. Hun ergernis is al verdwenen. De Japanse vervolgt haar weg. Jozef en Jozefa gaan ook verder. Een vluchtige ontmoeting die slechts een vluchtig spoor trekt. Maar het is getrokken.

Jozef en Jozefa komen uit aan de Rhône. Zij houden halt om over het wateroppervlak te staren. Kijk, ginder ligt het cruiseschip. Zou dat vandaag nog afvaren? Zou dat ook niet iets voor hen zijn, een cruise? Jozef droomt er wel eens van: een cruise op de Rijn. Of op de Rhône? Hij ontdekt nu dat er ook cruises zijn op de Rhône en niet alleen op de Rijn en de Nijl. - Nee, zegt Jozefa beslist, ik denk er niet aan, aan een cruise. Misschien begint het ook wel spoedig te vervelen, denkt Jozef. Zij keren terug naar het hart van Arles. Op de trappen van de Sint-Trophimuskerk zit een zwerver met twee uit de kluiten gewassen honden. Zijn lange zwarte haar hangt in slierten voor zijn gezicht. Hij lebbert aan een blikje bier en rookt een sigaret. Voor hem op een trede staat een kommetje waar niets in ligt. De zwerver grijnst naar iedereen die de kerk binnengaat. Misschien wil hij op die manier een beetje goodwill losweken en hoopt hij wat nikkel in zijn kom te krijgen. Zo te zien zonder veel succes. Jozef die echter innerlijk altijd bewogen wordt bij het zien van bedelaars (kreupel en/of blind) grijpt al naar zijn portemonnee, al schijnt deze man op het eerste gezicht niet veel of zelfs niets te mankeren. Jozefa houdt zijn gebaar tegen. "Als hij honden kan onderhouden, moet hij ook maar in zijn eigen onderhoud kunnen voorzien." Jozef laat de portemonnee zitten en denkt: daar is wel iets van aan. Hij kijkt naar de zwerver met een blik van 'ik kan er ook niets aan verhelpen' en volgt Jozefa de kerk binnen. De zwerver grijnst hem breed aan alsof hij het wel begrijpt en Jozef niets kwalijk neemt. De zwerver zit er nog steeds als Jozef en Jozefa de kerk verlaten. Alleen heeft hij nu het gezelschap gekregen van een compagnon. Het kommetje waar nog steeds geen centiem in ligt schijnt hem niet erg te interesseren. Misschien is hij zelfs wel gelukkig, denkt Jozef. Dat zou toch best kunnen. Hoe moet je geluk trouwens meten? Hij weet dat hij gelukkig is en daar zijn veel redenen voor: hij heeft een vrouw uit de duizend en hij is met haar op stap in Arles, in het heerlijke land dat Provence heet. Jozef en Jozefa zijn op weg naar de laatste bezienswaardigheid die zij willen bezoeken: de alyscamps, een Romeinse begraafplaats. Zij lopen over een brede boulevard en kijken ook naar de winkels. In de etalage van een boekhandel liggen de meesterwerken van de Provence op een rij. Manon des Sources van Marcel Pagnol (Het boek werd verfilmd in twee delen, die nog maar pas op de Vlaamse Televisie waren te zien. Een grandioos en ontroerend melodrama. Jozef heeft er zonder enige restrictie van genoten), Lettres de mon moulin van Alphonse Daudet, enz. Zij steken de boulevard over en stappen flink verder. Het begint al laat te worden. Opeens valt er muziek uit de hemel. Jozef wordt er door gepakt. Hij stopt en keert op zijn schreden terug, naar de bron van die vrolijke klanken. Dat is een jong orkest dat in een kiosk, waar zij net nog voorbij liepen, de instrumenten tot leven brengt, een dynamisch en bruisend leven dat de omstanders niet onberoerd laat. Dat zijn vooral jonge mensen. Jozef staat wat aan de kant en bekijkt het tafereel. Jong zijn, dat is het mooiste, het geweldigste wat er is, denkt Jozef, maar als je jong bent besef je het niet en het duurt niet lang, het is voorbij voor je het weet. Die gedachten stemmen hem bijna mistroostig. De laatste klanken worden door de lucht opgezogen alsof ze daarna weer verstrooid kunnen worden om lafenis te brengen. Jozef wacht op een nieuw nummer. De muzikanten doen druk maar spelen niet. Repeteren zij maar wat, vraagt Jozef zich af, en doen zij dat hier tot vermaak van de toeristen. Het wachten duurt te lang en Jozef gaat verder. Jozefa staat op hem te wachten waar hij haar achterliet. Het is zoeken, de alyscamps ligt ergens verborgen aan de rand van Arles, maar zij vinden het toch. Ticket kopen. Binnen. Zij lopen door een lange dreef met aan weerskanten stenen lijkkisten, vandaar ook de naam sarcofaagallee (in de Duitse gids).

Het valt eigenlijk wel een beetje tegen, vinden Jozef en Jozefa, aan die stenen kisten is niet zoveel te bewonderen. Maar het is er heerlijk rustig. Aan het eind van de lange laan graaft een jongeman met een soeplepel in de bodem. Hij zit op zijn hurken en kijkt niet op of om. Hij graaft. Of moet je dat eerder peuteren noemen? Hij moet over heel veel geduld beschikken, denkt Jozef. En is dat nu, de plek waar die jongeman peutert, een archeologische site. Daar is nog minder aan te zien dan aan de kisten. Jozefa heeft de site amper bekeken en is doorgelopen naar de kerk die de laan afsluit. Jozef haalt haar in en samen bezoeken zij de kerk. Daarna flaneren zij weer heel de lange laan af en staan buiten. Nu moeten zij de auto nog vinden. Jozef kiest op het gevoel de goede richting. Via de Rue de Zamanoff (uitvinder Esperanto - langue artificielle) komen zij weer op een boulevard. Jozef besluit hem naar links te volgen. Kijk eens wie ginder aankomt. Dat is de Japanse van vanmorgen. De Japanse herkent Jozef en Jozefa ook. Zij groeten elkaar wederzijds zeer vriendelijk. Jozef kiest een straat rechts. Zij wandelen voorbij delen van een oude stadsomwalling. Het is een lange straat. Jozef vraagt zich al bezorgd af of hij wel goed gekozen heeft. Lang hoeft hij niet te twijfelen. Hij herkent het al van ver, het pleintje waar zij vanmorgen over de groentemarkt zwierven. Daar staat hun auto. Jozefa wil eerst nog een paar aankopen doen in het warenhuis aan de rand van het plein. Zo geschied. Jozef draagt twee plastic tassen vol aankopen als zij weer buitenkomen. Vanmorgen was het hier enerverend druk en nu is het rustig. Het verkeer is verstomd en de toeristen zijn opgehoepeld. Alleen Jozef en Jozefa dwalen nog rond als twee zwerfkatten die van geen ophouden weten. Eindelijk, daar is de parking. De auto staat er nog. Hij staat alleen. Het cruiseschip ligt ook nog aan de kade. Maar de voorbereidingen om te vertrekken zijn aan de gang. Jozef en Jozefa leunen op de kademuur en kijken ernaar. Jozef heeft zich altijd om een of andere onverklaarbare reden tot het water aangetrokken gevoeld. Hij kijkt over het water alsof ginder in de verte, waar de Rhône uit het gezicht verdwijnt, zijn toekomst op hem wacht. Hij kijkt zo maar hij weet wel beter. De trossen zijn los en langzaam glijdt het schip weg van de kade. Jozefs gedachten varen mee over het water. Twee passagiers zijn er die lijfelijk niet mee zullen varen. En of hun gedachten er iets aan zouden hebben is zeer twijfelachtig. De eerste komt aangerend. Een man in short en openstaand hemd met korte mouwen. Hij zwaait met zijn armen en roept: ohé! ohé! Zijn verbijstering en ontzetting moeten verschrikkelijk groot zijn: daar vaart het schip - zonder hem. Hij rent Jozef en Jozefa voorbij - nooit in zijn leven heeft hij zo hard gerend - en hij roept zo hard hij kan om de aandacht te trekken - nooit in zijn leven heeft hij zo hard geroepen - maar de passagiers op het achterdek merken het drama niet dat zich afspeelt. Is het schip al te ver weg? Niemand die hem hoort. Of weet de kapitein het intussen al en denkt hij: op tijd komen. Punctlichkeit! Jozef denkt: misschien hebben de anderen al heel lang op de man gewacht en zijn tenslotte toch maar vertrokken. De man rent wanhopig verder - armen zwaaien doet hij niet meer - het groepje lanterfanters dat verderop aan de aanlegsteiger staat voorbij. Zij kijken vol aandacht toe. Hier gebeurt iets. Daar rent de tweede passagier voorbij. Een vrouw. Hijgend en compleet buiten adem. Man en vrouw. Een echtpaar waarschijnlijk. In het mooie Arles uur en tijd vergeten. De aanblik van de boot die ginder, zonder hen, verder vaart, die aanblik zullen zij nooit meer vergeten. Als het schip hun dromen maar niet meeneemt. Of vallen die hier in het water? De rennende man stopt bij een politieagent die daar stond te wachten om hulp te kunnen bieden. Spreekt de man Frans of spreekt de agent Duits? De man wijst naar het schip. Hij maakt wanhopige gebaren. Is zijn vakantie kaput? De vrouw komt bij de man en de agent. Zij overleggen nog wat en stappen dan gezamenlijk weg. Jozef en Jozefa hebben het gebeuren een beetje verbijsterd en licht ontzet gade geslagen. - Wat moeten die nu doen? vraagt Jozefa. - Die komen wel terecht, antwoordt Jozef, dat schip meert vannacht ergens aan. Die halteplaats kent dat koppel ook. En daar zullen zij op een of andere manier naar toe rijden. Plezierig is het niet, maar er zijn ergere dingen in de wereld. De laatkomers en de agent zijn van het toneel verdwenen. De lanterfanters hebben genoeg gezien. Hun dag is goed: vandaag is er toch nog iets gebeurd. Zij vertrekken en verdwijnen uit het gezicht. Het schip is nog een stip.

Jozef en Jozefa staan alleen op de kade. Alles straalt opeens een immense verlatenheid uit. Jozef en Jozefa krijgen het er warempel koud van. Zij besluiten zo snel mogelijk gezelliger oorden op te zoeken. Op naar het hotel dus. Naar het knusse kamertje.

Home © Uitgeverij De Graal 2008 Deel 1 :Op weg naar de Provence