Johan Van Nijen Onrust in de Provence
Deel 4 - Les Baux
Uitgeverij De Graal
Bauxiet komt van Les Baux, een dorpje van nog geen vijfhonderd inwoners. Bauxiet is het erts waaruit aluminium wordt gewonnen, en van aluminium worden praktische en ook mooie dingen vervaardigd.
In Les Baux wordt allang geen bauxiet meer gedolven, maar zijn faam heeft het dorpje vooral te danken aan de burcht van de Heren van Les Baux. Heren die geen heren waren, zoals Jozefa later zal lezen.
Klinkt Baux niet hetzelfde als beau?
Jozef en Jozefa zijn op weg naar Saint-Remy en zullen Les Baux de Provence, zo heet dat dorp voluit, eens gauw tussendoor meenemen. Het ligt op de route en het gaat in een moeite mee door. Combineren is de kunst. Zij weten nog niet dat Les Baux zo beau is. Zij zullen er meer dan een paar uur blijven hangen.



Jozef vindt nergens een parkeerplekje op de weg die hij volgt. Alles staat vol, bomvol. Jozef rijdt langzaam verder en speurt naar een plekje voor de auto, en ook Jozefa doet dat.

De weg loopt omhoog. Zij komen in een bocht en volgen die. Wat verder staan gendarmes te zwaaien en te schreeuwen, maar zij mogen gewoon doorrijden. Zij rijden voorbij een parking tegen de weg: vol. Zij rijden verder. Aan weerskanten van de weg staan auto's in de berm geparkeerd. Jozef parkeert de auto voor de laatste wagen aan zijn kant. Staat hij goed?
- Een beetje meer naar voor, zegt Jozefa, dan kan de wagen die erachter staat gemakkelijk weg.
Rugzakje meenemen? Nee, dat is niet nodig, het is maar voor even. Daar krijgen zij nog spijt van.



Jozef en Jozefa moeten de weg een heel eind terug volgen, maar dat vinden zij niet erg.
Tegen de hemelsblauwe lucht verheft zich voor hen het kasteel van Les Baux. Het kasteel, of wat er van overblijft, en dat is nog imponerend genoeg, staat op een rotseiland met loodrechte wanden. Van een onneembare vesting gesproken. Hoe moesten de soldaten aan de verovering van zo'n onbereikbaar en ongenaakbaar bolwerk beginnen? Jozef vraagt het zich af. Hij kent het antwoord niet, maar hij vermoedt heel sterk dat het in lang vervlogen tijden ook niet altijd even aangename dagen waren voor de soldaten.
Er is een postkantoor in Les Baux en Jozefa koopt een postzegel: 2,50 FF. Zij schrijft een kaart naar de oudste dochter, dan weet die al hoe het hier in de Provence gestaan en gelegen is. Niks negatiefs: het thuisfront moet altijd in de waan blijven dat het op het vakantiefront allemaal rozengeur en maneschijn is.
De jongste dochter is ook op vakantie; een kaart naar haar is niet zo dringend. En al de rest: nog veel minder dringend.



Les Baux: smalle straatjes, toeristen die elkaar voor de voeten lopen, het ene winkeltje naast het andere, hier en daar een pleintje met kraampjes. En wat er verkocht wordt! De meeste waren zijn te lelijk om naar te kijken. Wie durft zulke smakeloze rommel fabriceren? Bovenal, wie koopt die brol? En toch zal het verkocht geraken.
Er zijn ook enkele winkels met heel mooie stukken. Daar loopt geen volk rond.
Het is nog vroeg om al souvenirs te kopen, maar Jozef en Jozefa kijken toch al uit naar een mooi cadeau voor hun dochters. Zij vinden voor elkaar wat: een glazen karaf en een olijvenpot, maar niet zo'n ordinaire als alle andere. Dit is echt een mooi exemplaar en daarom hebben ze er ook maar één van gezien. Omdat ze nog veel te stappen hebben, besluiten zij de cadeaus niet mee te nemen, maar later terug te komen om ze aan te kopen. Jozef prent de cadeaus en de winkels goed in zijn geheugen om ze later terug te vinden. Jozef is overtuigd dat dat zonder enig probleem zal gebeuren. Afwachten maar.
Jozef en Jozefa komen in een straatje dat eindigt op een hekken dat hun de weg verspert. Rechts van het hekken is er een gebouw waar een tentoonstelling loopt over het kasteel en waar je ook kaartjes kunt kopen om het kasteel te bezoeken. Jozef en Jozefa gaan het gebouw binnen en bekijken de tentoonstelling. Dan kunnen ze kiezen: buitengaan of kaartjes kopen. Jozef koopt kaartjes en krijgt ook twee Nederlandstalige vouwblaadjes voor een 'Visite van de Citadel van les Baux de Provence'. Nederlandstalige folders en leidraadjes (zoals dit) te ontvangen stemt Jozef altijd gelukkig. Het bewijst dat ook de Nederlandstalige toerist welkom is en dat men respect voor hem heeft.
'Wees voorzichtig tijdens uw bezoek, vooral in de omtrek van de kliffen. Let op uw kinderen,' staat er in een kader.
De kinderen van Jozef en Jozefa zijn al volwassenen geworden. Zij zijn er trouwens niet bij, maar er lopen wel kinderen rond. Soms hebben Jozef en Jozefa de onweerstaanbare drang om te roepen: kom naar hier!
Maar het zijn hun kinderen niet die daar gevaarlijk dicht bij de rand van de kliffen lopen. Zij slikken hun waarschuwende kreten nog tijdig in. En zij wenden hun hoofd naar een andere richting want 't is niet om aan te zien.
- Sommige ouders trekken zich toch van niets iets aan, zeggen zij tegen elkaar. Hun hart moeten zij toch kunnen luchten.
- 't Is te hopen dat er niets gebeurt want ze (de ouders) zouden er levenslange spijt van hebben. Een ongeluk ligt op een klein plaatsje.
De verwittiging op het vouwblaadje is zeer terecht: het kasteel en alle andere gebouwen die van de citadel deel uitmaken, staan op een rotsplateau met loodrechte wanden. Een val daarvan kan maar één ding betekenen: morsdood.
Jozef en Jozefa volgen de rondleiding volgens de leidraad. Er staat ook een monument ter ere van



Charloun Rieu, een Provençaalse dichter. Charles, want zo werd hij ook genoemd, kijkt uit over een zeer fraai panorama dat in de verte in nevels oplost.
Jozef en Jozefa zouden hier ook wel willen gaan zitten om wat langer van het mooie uitzicht te genieten en om een hapje te eten en een slokje te drinken. De magen knorren een beetje en de monden zijn wat verdroogd. Helaas, alles wat soelaas kan brengen, ligt in de auto. Hoe is het in 's hemelsnaam mogelijk dat te vergeten! Tja, het bezoek zou maar even duren. In het vervolg altijd rugzak meenemen. Jozef zal het niet meer vergeten.
Dus wandelen Jozef en Jozefa verder.



Van ver leek het op een paard, van dichtbij is het een stenenwerper, een voorloper van het kanon. Jozef verbaast er zich altijd over dat de mens, vanaf zijn ontstaan, blijkbaar altijd gezocht heeft naar middelen om de medemens (de naaste die men lief moet hebben) te vernietigen. Geweld moet in de genen zitten.



Jozef en Jozefa beklimmen alle torens die er te beklimmen zijn en genieten van alle uitzichten die er te genieten vallen. Het is echt schoon allemaal.



En dan staan zij weer voor het hek waar ze eerder voor stonden. Maar nu kunnen ze er via een draaideur langs. Zij kunnen eindelijk iets drinken en dan rijden ze verder.
Jozef verlaat de rijweg en parkeert onder een boom. Het is hier een picknickplaats, her en der staan afvalbakken.
Jozef neemt alle benodigdheden voor de picknick uit de koffer en op een rustig plekje wordt het picknickbedje gespreid.
Wat is dat toch heerlijk! Niets doen. Op je rug liggen en naar de blauwe hemel staren.
Jozef vindt het heerlijk, maar hij kan nooit lang stil blijven zitten; na een uurtje pakt hij alles weer in en rijden ze verder. Jozefa vindt het allemaal goed.
Omdat zij zo lang genoten hebben van Les Baux komen de overige activiteiten in het gedrang. Zij wilden nog een bezoek brengen aan de Romeinse Ruïnes, maar is dat nu echt wel nodig? Jozefa geeft er in elk geval niet zoveel om: ingevallen muren en verzakte zuilen spreken haar niet zo aan. Jozef kan daar in meegaan: in teveel streekmusea worden potscherven tentoongesteld alsof het onovertroffen kunstwerken zijn. Hij heeft er meestal geen boodschap aan. Potscherven blijven voor hem potscherven, of ze nu drie dagen of drieduizend jaar oud zijn. Hij weet ook wel dat achter de potscherven veel meer schuilgaat (geschiedenis, manier van leven, enz.), maar een scène uit het leven van toen, dat vermogen potscherven bij hem niet op te roepen: het blijft dode materie.
De Romeinse Ruïnes zijn natuurlijk niet te vergelijken met potscherven, maar een klein beetje komt het toch op hetzelfde neer: fragmenten van een verdwenen samenleving, potscherven in het klein, ruïnes in het groot.
Hij heeft er dan ook geen enkel bezwaar tegen om de ruïnes links te laten liggen, vooral omdat hij van de geplande wandeling, na het grandioze debacle van gisteren, een mooie tocht wil maken.
Het parkeerterrein waar de wandeling vertrekt, ligt aan de andere kant van de weg tegenover de ruïnes.
Jozef wil tegen de kant van de weg parkeren, er is plaats in overvloed, maar Jozefa oordeelt het beter de auto helemaal aan de andere kant van het terrein te zetten, ver weg van alle andere auto's.
De rugzak weegt al een heel stuk minder dan gisteren.
Jozef en Jozefa stappen een eind terug op de weg vanwaar ze daarnet gekomen zijn. Achter de omheining van de Romeinse Ruïnes zien ze hier en daar ook restanten van het Romeinse verleden: zuilen die al zo lang de hete lucht dragen en nog altijd dragen. Zuilen zeggen Jozef en Jozefa niets. Hier en daar lopen ook toeristen door het verleden. Hopelijk worden die wel aangesproken.
Waar de weg naar links draait, slaan Jozef en Jozefa rechtsaf. Zij volgen weer een grand randonné. Jozef let goed op de wit-rode merktekens. Vandaag mag niets verkeerd lopen. De weg klimt omhoog en leidt langs struiken en over rotsen. Het is niet echt een gemakkelijke route. Af en toe houdt Jozef een drinkpauze.



Plotseling staat hij voor een groot gat, de toegang tot een grot die naar beneden afloopt. In de rotswand zijn ijzeren haken bevestigd waarlangs je kunt afdalen.
Jozef begint aan de afdaling. Het moeilijkste is veilig de eerste trede te bereiken. Daarna valt het mee. Beneden wacht hij op Jozefa.
- Ik ben bang. De treden staan te ver uiteen, roept Jozefa.
Jozef klimt terug naar boven tot vlak onder Jozefa.
- Je moet niet bang zijn. Er kan niets gebeuren. Kalm blijven. Hij grijpt een enkel en leidt zo de voet naar de volgende trede.
- Ik kan het wel alleen.
- Van de wand blijven. Dan kun je zien waar je je voeten zet.
- Het lukt wel.
Jozef is zo weer beneden. Hij doet zijn rugzak af en zoekt een lang eind touw. Dat heeft hij altijd bij voor onverwachte moeilijkheden. Nu komt het hem eindelijk eens van pas.
De vloer van de grot loopt vanaf de rotswand met de ladder schuin naar beneden. De vloer blinkt. Die zou best glad kunnen zijn. Veiligheid voor alles. Daarom neemt Jozef het touw. Jozefa is ook al beneden.
- Wat doet ge? vraagt ze.
- Ik maak het touw aan de onderste trede vast en dan kunt ge u eraan vasthouden terwijl ge afdaalt. Dat is veiliger.
Terwijl Jozef het touw ontrafelt, want het is natuurlijk in de war geraakt, verschijnen opeens twee gedaanten in de grot. Zij komen van beneden, rennen door de grot (bonjour, bonjour), klauteren de haken op en zijn verdwenen. Het heeft geen minuut geduurd. Het was een jong koppel, vrij en onbevreesd.
Misschien is die vloer toch niet zo glad, denkt Jozef nu, en is het touw niet echt nodig. Maar hij heeft het touw nu ontward en dan kan hij het evengoed vastmaken. Hij knoopt een eind met een mastworp aan een haak; het andere eind verdwijnt over de rand in de diepte.
- Voilà, klaar is kees.
Jozefa neemt het touw en daalt af. Aan de rand van de grot gekomen daalt zij voorzichtig nog een stukje rotswand af.
- Ik ben er! roept ze.
Jozef haalt het touw achter de haak door zodat het een dubbel touw wordt. Hij daalt ook af. Maar omdat het touw nu dubbel hangt, is hij aan het einde van het touw voor hij aan het einde van de grot is. Hij haalt het touw in en steekt het weer in de rugzak. Hij daalt voorzichtig verder af, nee, die vloer is niet glad, klautert over de rand en staat ook beneden, naast Jozefa.
Het uitzicht is adembenemend.



Diep beneden hen, omgeven door bossen, glinstert het stuwmeer van Peiron.



Het pad daalt naar beneden. Tegen de rotswand hangt een kabel die je kunt vastnemen om veiliger af te dalen. Jozef neemt een foto van Jozefa terwijl zij de kabel vasthoudt. Jozefa houdt niet van poseren, maar braaf staat zij daar en kijkt vanachter haar zonnebril naar de lens.
Oh, wat houdt Jozef van haar! Hij zou het wel kunnen uitschreeuwen en dat doet hij soms ook wel. Maar nu niet.
De foto is gemaakt en het pad vraagt weer zijn aandacht. Maar afdalen is een fluitje van een cent.
Ho, nergens nog tekens te zien. Weer te ver gelopen. Maar nu is er geen ramp geschied: verder afdalen kan niet meer en dus moeten zij terug omhoog. Gelukkig, niet ver. Daar zijn de tekens weer. Ze zijn op de rotsen geschilderd en markeren een onzichtbaar pad dat over rotsplaten naar omlaag voert. Jozef gaat eerst en reikt in moeilijke passages Jozefa een helpende hand. Op sommige stukken zou een kabel hier meer op zijn plaats zijn dan daarnet tegen de wand. Gelukkig is het krikkeldroog, want anders zou je hier nogal een gang gaan.
Langzaam en voorzichtig dalen Jozef en Jozefa af en bereiken tenslotte de oever van het meer. Hoog tijd om te gaan zitten en van het vredige schouwspel te genieten.



Jozef spreidt het zeil in de schaduw van een boom. Heerlijk is het hier. Hier kan Jozef zijn tent opstellen en blijven. Een zo idyllisch plekje als dit heeft hij nog niet vaak betreden.
De wandeling is echter nog niet gedaan en dus moeten zij op zeker moment hun boeltje bijeen pakken en verder gaan.



Zij stappen rond het meer en komen op een weg die hen naar de auto brengt.
Jozef is gelukkig: de eerste geslaagde dag.

Home © Uitgeverij De Graal 2008 Deel 5 : Arles