Johan Van Nijen Onrust in de Provence
Deel 3 - Pont du gard
Uitgeverij De Graal
Jozef en Jozefa slenteren door Tarascon en genieten van het heerlijke nietsdoen. Jozefa kijkt naar de etalages en Jozef probeert mooie foto's te schieten. Zij kuieren zo maar wat rond, op het goed valle uit. Tarascon stond eigenlijk niet op het programma, maar op weg naar Sernhac, waar de wandeling naar de Pont du Gard begint, besloten zij in Tarascon te stoppen omdat het nog zo vroeg was.


Plotseling staan zij voor het kasteel van Tarascon. De indrukwekkende torens en hoge muren met slechts hier en daar een venster, rijzen uit de slotgracht op als verpletterende symbolen van macht en gezag. Aan de voet daarvan voelt de laat zich nietig als een worm.
Jozef heeft een zwak voor kastelen en het kost hem minder dan één seconde bedenktijd om te beslissen dat machtige kasteel te bezoeken. Jozefa heeft niet zo'n zwak voor kastelen en zij moet meestal met goede argumenten overtuigd worden om haar mee over de slotbrug te trekken. Ligt het aan de hitte? Jozefa gaat zonder tegenwerpingen mee.
Zij stappen over de slotbrug en kopen twee toegangskaartjes aan een loket in een hok achter de poort.



Jozef en Jozefa wandelen van zaal naar zaal en bewonderen de prachtige plafonds. Boven op de torens hebben zij een onbelemmerd uitzicht naar alle windstreken.


De Rhone stroomt aan hun voeten, daar is de brug die zij zo dadelijk over moeten op weg naar Sernhac.
Zij rijden over rustige wegen, maar de weinige auto's die er rijden slagen erin de woede van Jozef op te wekken. Dat is ook niet moeilijk: vlak achter zijn gat hangen, voorbijsteken in de bochten, alles wat niet mag of kan gebeurt hier.
Een wagen ergert Jozef vooral: een trekker met oplegger, een enorme tankwagen. Hij achtervolgt Jozef als zijn schaduw. Eerst heeft Jozef er zelf lang achtergehangen en hij is hem op een recht stuk voorbijgereden. Dat was geen sinecure want de tankwagen nam drievierde van de weg in beslag.
- Kalm aan maar, zegt Jozefa, wij hebben alle tijd.
- Ik zal er achter blijven hangen, zeker, snuift Jozef.
- Nee, dat moet niet, maar je moet geen risico's nemen.
- Ha, ik neem risico's.
- Dat beweer ik niet, maar die tankwagen voorbijsteken was toch maar op het nippertje. We zijn op vakantie. We hebben tijd.
- Jaja, mijn goeike.
Maar Jozefs ergernis blijft duren. Op de rechte stukken weg ziet Jozef de tankwagen snel naderen (hoe hard rijdt die wel?) en verliest hem weer uit het oog na wat bochtenwerk.
Rechts van de weg staat een bord: perziken te koop op 200 M.
Jozef en Jozefa hebben beiden het bord gezien en zij besluiten straks perziken te gaan kopen.
Jozef slaat linksaf en ziet in de binnenspiegel de tankwagen voorbij denderen. Die is hij definitief kwijt.
In Sernhac is het enige probleem een goede parkeerplaats te vinden. Er is plaats genoeg, maar liefst ook uit de zon.
Jozef parkeert de wagen tenslotte naast een blinde muur, in de hoop dat hij straks, bij hun terugkeer, in de schaduw zal staan. Anders zal het bakken zijn.
Jozef draagt een rugzak. Alles zit daarin om de meest onverwachte gebeurtenissen het hoofd te bieden: voor beiden een warme broek en vestje, voor beiden een regenbroek en jack, een rugzakapotheek, twee drinkbussen van één liter, de picknick, en nog allerlei dingen zoals: handdoek, toiletpapier, enz.
Het is een behoorlijk zware rugzak en in de loop van de volgende dagen laat Jozef achtereenvolgens achterwege: de warme kleding voor Jozefa (als het koud wordt, kan zij Jozefs warme kleding aantrekken; die neemt hij nog mee omdat ze het minste weegt), daarna laat hij ook zijn warme kleding achter (als het koud wordt, zullen ze allebei kou moeten lijden), nog later laat hij ook de regenkleding achterwege (de kans op regen lijkt wel onbestaande en als het toch zou regenen, kunnen zij proberen ergens te schuilen; als dat niet lukt worden zij nat, maar de zon droogt hen nadien zo weer op).
Wel laat Jozef warme kleding in de autokoffer achter. Voor het bijna onbestaande geval dat zij toch nat en verkleumd zouden geraken, kunnen zij zich aan de auto gekomen direct omkleden. Die gedachte kan hen onderweg in moeilijke omstandigheden, terwijl zij in regen en wind en koude verder ploeteren, overeind houden. Zoals een uitgedroogde woestijnreiziger, die weet dat een oase vlakbij is, hem de moed geeft om vol te houden.
Iedereen weet dat een goede gedachte wonderen kan verrichten.
Noemt iets wat je tijdens een wandeltocht misschien nodig zou kunnen hebben, het zit in Jozefs rugzak.
Aldus degelijk uitgerust gaan zij op stap.
Wat niet in Jozefs rugzak steekt: gezond verstand. Of beter: het zit er wel in, want het zit niet in zijn hoofd. En onderweg vergeet hij het gezonde verstand boven te halen.
Het eerste stuk gaat omhoog. Jozef let goed op. Hij moet de wit-rode merktekens van de GR6 (Grande Randonnee 6) te zien krijgen en die dan blijven volgen tot aan de Pont du Gard. De tocht kan geen enkel probleem opleveren: stappen en tekens volgen. Een fluitje van een cent.
Zij staan op een kruispunt. Voilà, daar zijn de tekens. De GR komt van links, steekt de straat die zij volgden, over en gaat dan in de straat rechts verder.
- Zefake, gij kijkt toch ook een beetje mee uit naar de tekens, zegt Jozef.
- Natuurlijk, zegt Jozefa.
Jozef en Jozefa steken de straat over en dalen tussen de verwaarloosde huizen van Sernhac. Van de meeste huizen zijn alle luiken potdicht gesloten. In enkele zijstraten staan zwarte mensen op de stoep, evenals anders gekleurden. Alle kleuren behalve wit.
- Veel vreemd volk woont hier, merkt Jozef op.
- En die hebben niks anders te doen dan te kletsen, zegt Jozefa. Zij bedoelt de mannen die lanterfanten.
- Het is ook geen weer om te werken, zegt Jozef. Hij voelt zijn rugzak al wegen.
- Die zullen wel stempelen, zegt Jozefa.
Zo dalen zij onbekommerd verder.
Jozef let aandachtig op de wit-rode merktekens: hij wil niet verkeerd lopen op de echte eerste dag van hun vakantie. Hij leest ook de straatnamen. En hij babbelt tegelijk met Jozefa.
Hij had beter even gedacht aan de door zijn moeder veel geciteerde spreuk: babbelen en breien gaat niet samen.
Dat is een lange straatnaam, denkt Jozef. 'Chemin des Anciens Combattants et Deportés'. Hij leest de tekst tweemaal en vertaalt hem voor zichzelf: Oud-strijders en Weggevoerden Straat.
Jozef! Jozef! Ge moet niet de straatnaamborden lezen maar de wit-rode merktekens in het oog houden.
Hij kijkt naar links de straat in. Het is niet eens een echte straat, maar een breed pad met een karspoor. Hij kijkt weer naar voor en merkt de dubbele wit-rode strepen (wat een wegverandering betekent) op de elektriciteitspaal achter de paal met het straatnaambord niet op.
Jozef! Jozef! Het is al te laat, onherroepelijk te laat. Hij is de paal met het straatnaambord en de elektriciteitspaal met de merktekens al voorbij. Hij denkt nog: die helden kregen ook maar een straat van niemendal, een armzalig karspoor. Verdienden zij niet meer?
Na een poosje vraagt Jozef zich af waar de merktekens blijven.
- Heb jij nog wit-rode tekens gezien? vraagt hij aan Jozefa.
Jozefa heeft geen tekens gezien, maar ze heeft er, eerlijk gezegd, ook niet op gelet.
Zij stappen verder.
- Op dat bordje staat 'Aquaduc Romain', zegt Jozefa. Daar gaan wij toch naartoe.
- Inderdaad, zegt Jozef. Hij is gerustgesteld. Zij zijn op het goede pad.
De hitte heeft serieus toegeslagen want Jozef gooit een hoop dingen dooreen: de GR-paden maken nooit gebruik van een bord zoals 'Aquaduc Romain', blauwe letters op wit veld. En zij stappen naar de Pont du Gard. Zou er dan niet Pont du Gard op dat bord staan als het daarnaar verwees? Zonder twijfel. Maar zover denkt Jozef al niet meer na.
Zij dalen verder af en na een poosje vraagt Jozef zich weer af waar de tekens blijven. Hij stelt zichzelf dadelijk gerust: zolang je geen tekens ziet om af te slaan is het altijd rechtdoor, immer gerade aus. Dat is het grote principe van het GR-wandelen. Zo simpel is dat. Dat weet zelfs Jozef.
Zij dalen verder af, zien geen enkel wit-rood merkteken meer, maar nog wel een paar bordjes 'Aquaduc Romain'.
Het gaat zo heerlijk, zo gemakkelijk naar beneden. Het vraagt bijna geen inspanning (en in deze hitte is elke inspanning teveel), gewoon je ene voet voor de andere zetten. De aantrekkingskracht van de aarde doet de rest.
Jozef mag er niet aan denken dat hij terug omhoog moet. Verschrikkelijk!
Het blijft heerlijk bergaf gaan, maar Jozef begint zich nu toch ook verschrikkelijk ongerust te maken. Waar blijven de tekens?! Die moesten er al geweest zijn.
In geval van twijfel keer terug op uw stappen tot aan het laatste opgemerkte teken en begin vanaf daar opnieuw. Dat is ook een gouden regel van het GR-wandelen. Jozef begint er serieus aan te denken die regel ook toe te passen. Nee, nog even wachten. De straat die zij volgen draait naar rechts en links begint een pad. Er komen net twee wandelaars aan. De man draagt een kleine rugzak en de vrouw geen. Zij zien er helemaal niet vermoeid uit.
Die wandelaars sterken Jozef in de overtuiging op het juiste pad te zitten. Hij vraagt zich niet af of die wandelaars wel de GR in de andere richting volgen, hij neemt het voor zeker aan. De hitte slaat weer toe.
Zij volgen nu een smal pad tussen lage maar vaste struiken. Hier staan overal gele strepen geschilderd waar het mogelijk is: op rotsstenen in de grond. Maar waar blijven de wit-rode merktekens? Nu hebben zij er toch al veel te lange tijd geen meer gezien opdat het nog normaal zou zijn. Het is niet normaal, maar Jozef is het ook niet: zijn gedachten werken volledig verkeerd.
Zij komen tegen een rotswand en daar ligt een soort kanaal, een uitgehouwen gracht in de rotsen. Dat is de Aquaduc Romain waarnaar de borden verwijzen, maar Jozef denk er nu niet aan. In de Provence heeft ieder boerengat wel zijn eigen Aquaduc Romain.
Jozef springt in het kanaal op zoek naar wit-rode merktekens, maar vindt er geen.
Dat is het laatste punt waarop hij zonder lichamelijke en geestelijke averij had kunnen terugkeren, maar nee! hij gaat verder. Hij volgt de gele strepen. Hij hoopt op een of andere manier dat die gele strepen hem naar het goede pad zullen leiden. Hij wil het zo graag. En hij heeft weer veel hoop. Het pad klopt perfect met de routebeschrijving: 'Nachdem die enge Schneise durch reichlich stacheligs Gebusch (mit kurzer Hose und blanken Beinen eine nicht ganz Blessur- und schmerzfreie Passage!) ausgestanden ist, kommt man an einem modernen Kreuz vorbei.'
Van heel de routebeschrijving heeft Jozef alleen die passage onthouden. Bij het lezen daarvan maakte hij zich zorgen om Jozefa's mooie benen. Door 'overvloedig stekelig struikgewas' zou Jozefa niet graag gaan. Zij hield niet van schrammen op haar benen. Dus vertelde Jozef maar niets over wat er eventueel te wachten stond, anders ging de wandeling misschien niet door. En in de rugzak stak een lange broek voor als het echt nodig zou zijn. Jozef zou wel zien.
Jozef ziet het. Jozef voelt het.
Jozefa voelt het ook en zij reclameert. Het pad komt uit op een open plekje en daar houden zij halt. Jozef zal de kaart raadplegen. Hij legt de rugzak af en neemt de kaart eruit. Het is kaart nummer 66 Avignon/Montpellier van de serie verte, schaal 1/100.000, waarnaar in de gids wordt verwezen.
Jozef vouwt de kaart open. Wandelpaden staan er niet op, wel is de GR6 ingekleurd. Jozef vond het niet nodig een nauwkeuriger kaart te kopen: zij hadden immers maar de tekens te volgen.
Jozef neemt ook het kompas en legt het met de zijkant naast de Pont du Gard en in het midden van wat Sernhac voorstelt. Hij oriënteert de kaart naar het noorden. Geen twijfel. Zij zitten in de juiste richting. Staan zij ook op het juiste pad? Jozef wil nog een laatste poging wagen. Misschien hebben de GR-strepen-schilders het hier te moeilijk gehad om strepen te schilderen. Misschien staan er daarboven, uit het dal, want zij bevinden zich in een klein dal, er weer wel. Jozefa blijft achter bij de rugzak en met de camera nu om haar nek. Met de moed der wanhoop volgt Jozef het pad omhoog. Het pad wordt smaller en het stekende struikgewas dichter, het lijkt wel op het maquis op Corsica: ondoordringbaar. Jozef loopt verder en hoger. Hij moet en hij zal de tekens vinden. Maar tenslotte staat het vast als een paal boven water: hier vindt hij geen tekens. Hij is er helemaal ondersteboven van, hij zou wel kunnen huilen, maar hij kan niet anders dan toegeven: ik zit volledig verkeerd.
Jozef kijkt verdrietig nog eens om zich heen: nergens enig teken van de GR te bekennen, alleen maar ondoordringbaar struikgewas. Zelfs als hier nu wel tekens zouden staan, dan zou Jozefa pertinent weigeren dit pad, dat er geen is, te volgen. Jozef heeft zijn benen opengereten aan de venijnige struiken en dat, een verminkte huid, zou Jozefa er zeker niet voor over hebben, GR of niet, zeer terecht trouwens.
Jozef keert terug. Had hij nog een vijftigtal meters doorgestapt, dan was hij op de GR uitgekomen, maar dat had op dat moment geen enkel belang meer.
- Hoe zien uw benen eruit?! roept Jozefa ontdaan als Jozef bij haar terug is. Ze zijn helemaal geabimeerd.
Jozef bekijkt zijn benen: ze zijn een net geworden van rode wegen. Hij schrikt ervan: zo erg had hij het zich niet voorgesteld. Onderweg voelde hij af en toe wel prikken, maar voor een prikje ga je niet opzij. Maar dit... het lijkt wel of zijn benen bewerkt zijn met een rasp. Had hij dat geweten?
- Kom, we gaan terug, zegt Jozef, helemaal ontmoedigd -hij wou het nog zo goed doen - daarboven is ook niets te zien.
Hij hangt zijn rugzak op. Die weegt veel zwaarder dan daarstraks en Jozef weet waarom: alle fut is uit hem verzwonden.
Zij keren terug tot aan de macadamweg naar het centrum van Sernhac. Jozef doet de rugzak weer af, neemt de verbandtas en verzorgt zijn benen. Terwijl hij zich afvraagt: hoe is het mogelijk? Hoe is het mogelijk? smeert hij alle strepen en krassen overvloedig in met flamazine. In de verbandtas zit ook een flesje eosine, maar als Jozef dat op zijn benen zou smeren, dan werden het twee grote rode vlekken, daar bedankt hij voor, het is nu al niet om aan te zien.
Nu Jozef de schade heeft overschouwd, dringt zich de vraag aan hem op: wat heb ik gedaan? Het antwoord is negatief in alle opzichten.
Hij heeft al honderden keren GR-paden belopen en de ervaring leert: geen GR-tekens = verkeerd. Hier was hij van die waarheid ook overtuigd en toch bleef hij, tegen beter weten in, doorlopen, als een kieken zonder kop. Hij heeft zijn kop nog en hij kan er wel tegen slaan, en slaan, en slaan... Een GR-wandeling, dat is zo simpel als 1 + 1. Je moet het Jozef niet vertellen.
- Wat gaan we nu doen? vraagt Jozefa.
- Ik weet het niet, zucht Jozef. Een niet uitgevoerde opdracht laat een leegte achter en die vult zich met schuldgevoelens en moedeloosheid. Op zo'n moment is de getroffene tot niets in staat.
- Kunnen we de wandeling nog doen? vraagt Jozefa.
Jozef kijkt op zijn horloge. Daarvoor is het eigenlijk te laat, zucht hij nog dieper. Ik heb het mooi verknald.
- Trek het u niet zo aan, zo erg is het nu toch ook weer niet, probeert Jozefa hem een beetje op te monteren. Als zij Jozef zo ziet staan, gebukt onder de ellende en rampspoed, krijgt zij deernis met hem.
- Laten we eens gaan zien waar we verkeerd gelopen zijn. Er komt weer leven in Jozef. Zij lessen hun dorst en volgen dan de macadamweg terug omhoog. Dat valt niet mee.



Ha, hier is het, hier moesten zij linksaf. In de straat van de helden. Hij dacht nog: een straat van niemendal. Waarom heeft hij die tekens op de elektriciteitspaal achter het straatnaambord niet opgemerkt? Het is onmogelijk die tekens niet te zien. Jozef lukte het. Hij verwenst zichzelf, maar dat brengt geen zoden aan de dijk. Hij had daarstraks beter uit zijn doppen moeten kijken. Hij weet het. Hij weet het. Maar nu is het te laat.
Wat te doen?
- Wat gaan we doen? vraagt Jozefa.
- Laten we maar een eindje het pad volgen, stelt Jozef voor. Jozefa vindt het goed.
Zij volgen het pad en komen uit boven het dal waarin zij daarnet nog liepen te dolen. Het pad duikt hier weer naar beneden en zij moeten een beslissing nemen: verder gaan of terugkeren. Maar er is nog een derde mogelijkheid: een heel smal paadje van twee à drie voeten breed voert omhoog en daarboven kunnen zij gaan zitten en wat uitrusten en bekomen van de doorstane emoties.
Van het paadje hebben ongetwijfeld al vele wandelaars gebruik gemaakt, want het is zeer goed te volgen al is het hier en daar ook oppassen geblazen voor de scherpe dorens van de struiken. Nu het op een krasje meer eigenlijk niet meer aankomt, is ook Jozef heel voorzichtig geworden. Jozefa is als altijd heel secuur.
Aan een open plekje in het struikgewas stoppen zij. Jozef legt de rugzak af. Hij verwijdert de keien zodat ze daar niet op komen te zitten en spreidt dan een zeiltje uit. Zij kunnen gaan zitten.



In het dal beneden ligt Saint-Bonnet-du-Gard. Daar hadden ze door moeten komen. Jozef neemt een drinkbus en versnaperingen uit de rugzak.
- We zitten hier goed, zegt Jozefa, we hebben een mooi uitzicht.
- Daar beneden ligt Saint-Bonnet-du-Gard, zegt Jozef. Hij heeft weer de kaart vast. Daar hadden we door moeten komen, vervolgt hij mistroostig. 't Is niet de Pont du Gard maar 't is toch ook iets.
- We kunnen straks toch naar de Pont du Gard rijden, zegt Jozefa. Met de auto zijn we er zo. Dan hebben we die Pont gezien en moeten we ons daar geen zorgen meer om maken.
- Dat kunnen we doen, zegt Jozef.
Af en toe rijdt er een auto door het dal, verder is er geen teken van leven te bespeuren. De rust die er heerst op hun eenzame uitkijkplekje werkt weldoende op Jozefs gemoed. Als zij opstaan om terug te keren naar de auto is hij over de grootste teleurstelling heen. Hij kan bijna weer lachen.
'Mairie' leest Jozef boven de deur van een gebouw. Dat is het gemeentehuis, misschien kan hij hier wel een stempel in zijn wandelboekje krijgen. De wandeling is niet verlopen zoals voorzien, maar alles samen hebben zij toch een behoorlijk eindje weg afgelegd. Een stempel is te verantwoorden. Een mooie stempel zou balsem zijn op de schrijnende wonde.
Jozef legt de rugzak af en neemt het wandelboekje. Hij duwt tegen de deur. Goddank, die is open. De kans op een stempel wordt groter. Jozefa wacht buiten. Jozef gaat naar binnen. Door een donker portaal komt hij in een vrij groot vertrek. Er is volk aanwezig. De kans op een stempel wordt nog groter. Bijna voelt Jozef al iets als geluk. Hij houdt halt aan de voorkant van de U-vormige balie. De beide zijden lopen door tot tegen de muur aan de achterkant van het vertrek. In het midden van de balie staat een bureau en daar zit een vrouw achter. Links van Jozef staan twee vrouwen aan de balie. De drie vrouwen babbelen met elkaar en kijken amper op als Jozef binnenkomt.
Jozef legt zijn handen met daarin het wandelboekje op de balie en kucht.
Het gesprek stokt. De vrouwen kijken naar Jozef. Wie komt daar binnen gestapt? Wat is dat voor een verwaaid individu? Wat komt die hier zoeken?
Jozef voelt de blikken priemen en gaat à la recherche naar zijn beste Frans.
- Bonjour mesdames, est-ce que c'est possible pour recevoir un cachet, s.v.p.?
- Un cachet, monsieur? De vrouw links van Jozef spreekt hem aan. Het klinkt op een toon alsof hij een oneerbaar voorstel heeft gedaan en Jozef voelt het al misgaan.
- Oui, madame, un cachet pour mon wandelboekje. Wij hebben hier een wandeling gemaakt en een stempel zou een zeer mooie herinnering zijn.
- Een stempel is een officieel document, meneer, dat mogen wij niet zomaar geven.
- Allez, madame, voor in mijn wandelboekje. Ik heb tientallen stempels van gemeenten gekregen.
- Laat maar eens zien.
Jozef geeft zijn wandelboekje aan de vrouw. Zij bladert er in.
- Ik zie er geen. De vrouw geeft het boekje terug.
Jozef is verbijsterd. Dat kan niet. Hij bladert ook in het boekje op zoek naar een officiële stempel, edoch, hij vindt er ook geen. Het is pas een nieuw wandelboekje en er staan nog niet zoveel wandelingen in. Dat is pech hebben. Hij waagt nog een laatste poging.
- Dat is waar, bekent hij, maar dit is mijn zevende wandelboekje en in die andere staan er wel in.
- C'est impossible!
Aandringen heeft geen zin. De propaganda heeft gelijk, denkt Jozef, de Provencalers zijn een bijzonder vriendelijk en gastvrij volk. Het voorbeeld van vriendelijkheid en gastvrijheid heeft hem toegesproken.
- Geen stempel, dat is spijtig, zegt Jozef tegen de matrone. Au revoir.
De twee andere vrouwen hebben geen woord gerept.
Teleurgesteld en terneergeslagen verlaat Jozef de mairie. Een zaak is zeker: het is vandaag zijn dagje niet.
Buiten wachten Jozefa en de volle zon op hem. Jozef doet zijn verhaal.
- Trek het u maar niet aan, troost Jozefa. Zij lijkt vandaag wel troosteres der bedrukten. En de grootste bedrukte is haar Jozef. Een geslagen hond is er niets bij.
- Hoe is het mogelijk! Hoe is het mogelijk! herhaalt Jozef. Geen stempeltje willen geven. Dat is me nog nooit overkomen.
Daar is het kruispunt al waar de onfortuinlijke wandeling begon.
En daar is de auto. Instappen en wegwezen. Weg van deze vermaledijde plaats.
Voor Remoulins vertelt een groot bord dat zij kunnen kiezen: linkeroever of rechteroever?
Zij kiezen automatisch voor de linkeroever omdat het dan gewoon rechtdoor is. De weg is afgezoomd met platanen waarvan de kruinen in elkaar haken zodat zij bijna door een tunnel rijden. Waar de zon door het dichte bladerdak kan dringen, strooit ze lichtvlekken op de weg en op Jozefs zonnebril.
De weg leidt naar een groot parkeerterrein. Jozef koopt een ticketje en mag erop. Hij parkeert op een rustig plekje, want er is nog plaats in overvloed. Er staan ook autobussen. Bussen met fietsen. Bussen uit Tsjechië. Van overal.
Jozef en Jozefa stappen over de droge bedding, bijna een strand, en staan aan het water van de Gard. Links van hen overspant de Pont du Gard de rivier en de eeuwigheid. Een brug van onvergelijkbare schoonheid. Jozef en Jozefa kijken ernaar met onverholen bewondering. Als hun blikken verzadigd zijn, kijken ze ook naar de omgeving. Op het strand liggen kajaks. Er is een stand waar je een kajak kunt huren. Jozef zou wel graag met Jozefa een boottochtje maken, maar hij weet dat ze daar niet voor te vinden is: zij heeft een grote hekel aan water en alles wat ermee te maken heeft. Behalve voor de schoonmaak.


Zij gaan stroomafwaarts en vinden een geschikt plekje om te zitten. Zij kijken naar de Pont du Gard. Er lopen mensen over de bovenste galerij. Het zijn nietige wezens maar je ziet ze heel goed, scherp afgetekend tegen de blauwe hemel. Jozef weet dat er daarboven geen enkele veiligheidsvoorziening is: geen spoor van een reling. Hij krijgt er de kriebels van die mensen daar te zien lopen. Die zullen wel geen hoogtevrees hebben.
Op en in de Gard is het vrij druk. Voortdurend varen bootjes voorbij. Mensen baden en zwemmen in het water.
Hier is iedereen gelukkig. Langzaam geraakt Jozef ook over de pas opgelopen teleurstellingen heen.
Als zij verzadigd zijn van het kijken en genieten, staan zij op en keren terug naar de auto. Maar eerst nog een ijskreem kopen. Die ijskreem moet je wel heel snel binnenlikken of hij is gesmolten voor je 't merkt.
Jozef en Jozefa rijden langs dezelfde weg terug. Daar is het bord dat perziken te koop aanbiedt.
- Wat doen we?
Ze zullen eens gaan zien. Dat kan nooit kwaad.
Jozef vertraagt en rijdt de zijweg op. Het is een grintweg en Jozef rijdt zeer traag. Rechts is een bos, links liggen uitgestrekte velden te blaken in de hitte.
Amaai, die boerderij ligt ver. Er schijnt geen einde te komen aan deze weg. Was het wel hier? Hebben zij dat bord wel goed bekeken? Op het moment dat zij overwegen toch maar om te draaien, ligt de perzikboerderij voor hen. Zij rijden een betonnen vloer op en stoppen ergens in het midden tussen de gebouwen en een man die met een heftruck paletten met fruitkratten op elkaar stapelt.
Jozef en Jozefa stappen uit en gaan richting man met heftruck. De man met de heftruck stopt zijn werkzaamheden en komt richting Jozef en Jozefa. De twee partijen komen elkaar tegemoet en zo geschiedt het dat zij elkaar ontmoeten. Wat in de lijn der verwachtingen lag.
De man van de heftruck is niet meer zo jong, eerder bejaard. Maar hij is ontzettend vriendelijk.
Jozefa die altijd geïnteresseerd is in groenten en fruit, vraagt in haar beste Frans uitleg over de oogst en de kwaliteit.
De heftruckman verstrekt de gewenste inlichtingen. Maar hij kan ze niet helpen. Om perziken te kopen moeten ze daar zijn. Hij wijst naar een hangar.
Jozef en Jozefa gaan de hangar in.
Een man en een vrouw staan aan een lopende band (allemaal rollen achter elkaar waarover de kratten voorthobbelen) en sorteren de kratten fruit.
Dat denken Jozef en Jozefa tenminste want de man en de vrouw staken hun werkzaamheden als zij onze helden zien naderen.
Jozefa legt het doel van haar komst uit en vraagt weer van alles over de perziken die daar in kratten liggen te pronken.
- De kwaliteit van de perziken is uitzonderlijk goed dit jaar, beweert de vrouw, bekijk die vruchten maar eens.
Jozef bekijkt de vruchten ook. Hij ziet lekkere perziken liggen. Maar hij begint iets te vermoeden.
Inderdaad, zij kunnen geen kilo perziken kopen, daar kunnen zij niet mee beginnen, een krat perziken of geen.
- Hoe lang kunnen we die bewaren? vraagt Jozefa.
- In een koelkast wel tien dagen, zegt de vrouw.
Jozef en Jozefa hebben geen koelkast.
- Ha, zij zijn toeristen, dat dacht ik al, zegt de vrouw, geen koelkast dus, nu ja, dan is het maar drie of vier dagen; op een koele plaats misschien wat langer.
Jozef en Jozefa bekijken elkaar. Geen perziken. De vrouw ziet de teleurstelling op hun gezicht.
- U krijgt ze voor een prijsje, zegt ze, en geeft een bedrag op. Dat valt in goede aarde bij Jozefa, want zij sluit de koop.
De man neemt een krat perziken van een stapel en overhandigt die aan Jozef.
- Alstublieft.
- Merci.
Jozefa rekent af met de vrouw.
Met hun pas verworven bezit verlaten Jozef en Jozefa de hangar, zo gelukkig als een sjeik die verneemt dat er weer een olievoorraad ontdekt is.
De heftruckman drentelt rond op het plein voor de hangar. Hij komt dadelijk af naar Jozef en Jozefa als hij hen in het oog krijgt. Hij zingt de lofzang van de Provençaalse vruchten en van deze perziken in het bijzonder.
Jozef en Jozefa glunderen. Zij hebben een schat gekregen. Als zij willen voortgaan, zegt de man dat ze eventjes moeten wachten. Hij stapt naar een stapel kratten en komt met een krat terug.
- Voor u.
- Maar... maar...
In de krat liggen blozende nectarines. Ze zijn de selectienormen niet gepasseerd en werden daarom opzij gezet, maar zulke nectarine vindt je in de meeste groentewinkels niet.
- Maar... maar...
- Voor u.
Jozef en Jozefa bedanken de man heel hartelijk. Zij laden twee schatten in de auto.
Jozef en Jozefa wuiven de man ten afscheid als zij vertrekken. De man heft zijn hand op. Het lijkt wel een zegenend gebaar. De man straalt. Het geeft meer vreugde te geven dan te krijgen.
In Sernhac kreeg Jozef geen stempeltje; hier krijgen hij en Jozefa een heel krat nectarines cadeau.
- Dat kunnen geen Provencalers zijn, zegt Jozef, dat moeten inwijkelingen zijn. Dat kan niet anders.
Zij bewaren de schatten onder het bed, met een doek erover, zo kan de zon er niet aan en het stof ook niet.
Wat doen Jozef en Jozefa veel de volgende dagen? Inderdaad! Perziken en nectarine eten.

Home © Uitgeverij De Graal 2008 Deel 4 : Les Baux