Johan Van Nijen Onrust in de Provence
Deel 2 - Aankomst
Uitgeverij De Graal
Er hangen grote borden die informatie verschaffen, over de autoweg. Maar de informatie die Jozef en Jozefa lezen is niet opwekkend: temperaturen van zeventien graden. Dat is niet om over naar huis te schrijven en het geeft je ook niet het gevoel dat je op weg bent naar zonnige oorden, in casu De Provence.
Maar hoe verder Jozef en Jozefa rijden hoe opbeurender de boodschappen worden. 's Middags schijnt de zon in gulle overvloed. Zij rijden een parking op om te picknicken.
- Daar is een goed plekje, zegt Jozefa en wijst het aan. In één oogopslag heeft zij het ontdekt. Helemaal aan het einde van de parking en vlak bij een picknicktafel.
Een auto met Duitse nummerplaat komt naast hen staan, buiten de parkeerstrepen. De inzittenden stappen uit en bezetten onmiddellijk de picknicktafel. Een blitzbezetting.
Dat is niet verwonderlijk, denkt Jozef gelaten, de Duitsers zijn het bezetten gewoon, een archetypisch trekje dat je niet uitgeroeid krijgt. Dat mag ik niet denken, denkt Jozef verder, de oorlog is vijftig jaar voorbij. Hij betrapt zich soms op racistische trekjes en dan voelt hij zich een beetje schuldig - alle Menschen wirden Bruder-. Of niet? Dacht hij ook niet: vuile moffen?
Jozef neemt de tas met eten en een fles water. Jozef en Jozefa installeren zich noodgedwongen op een bank, wel heerlijk in het zonnetje. Jozefa zet een grote zonnehoed op.
Picknicken zonder tafel is niet zo gemakkelijk als met, maar het gaat ook en na vijf minuten is Jozef de moffen - pardon, de Duitsers - al vergeten.
Na de picknick, hop, recht naar het hotel, alleen nog eens stoppen om de benen te strekken. Nu het einddoel nabij is, willen zij er opeens, wegens een onverklaarbare en onweerstaanbare drang, zo snel mogelijk zijn. De dag en het leven van de reizigers wordt alsmaar zonniger.
Jozef moet af en toe de kaart raadplegen en hij heeft niet altijd evenveel geluk als in Beaune - één wonder is genoeg, zullen ze hierboven gedacht hebben - maar op hun bestemming geraken ze.
Voilà, daar hangt een bord met de naam van hun hotel op.
Jozef rijdt de poort binnen en de parking op.



Op deze parking zullen nog rare dingen gebeuren. Gelukkig weten Jozef en Jozefa dat nog niet. Zij zijn nog boordevol hoop en verwachting op een zonnige en onbekommerde vakantie. Zonnig wordt hij, onbekommerd iets minder.
Waar zal Jozef de auto parkeren? Er is plaats zat - alle hotelgasten vertoeven elders - maar overal brandt de zon even onbarmhartig. Daar, aan het einde van het parkeerplein, staat een rieten afdak op palen en de bedoeling is duidelijk: hieronder is je auto beschermd tegen de zon. Er zijn vier compartimenten maar ze zijn niet alle vier even breed.
Jozef rijdt het uiterste linkse compartiment in en zet de wagen zo ver mogelijk naar links, zodat er nog een wagen naast kan.
- Jozef, zet de wagen meer in het midden, beveelt Jozefa, dan kan er geen auto meer naast en zullen er zeker geen krassen op onze auto komen.
Jozef vindt dat vrij onbehoorlijk: een auto minder tegen de zon beschermd, maar hij verplaatst de auto toch. Er zijn zaken waarover je met Jozefa niet moet discussiëren.
Aan de kant van de parking, bijna tegen de poort, staat een golfauto en tegen het terras een Opel. Met Belgische nummerplaat. Ook Belgen! roept Jozefa op een toon alsof zij bondgenoten heeft gevonden.
Zij gaat zien vanwaar de Opel komt. Op de meeste auto's prijkt immers een sticker met naam en adres van de garagehouder en uit die streek zullen de eigenaars meestal ook wel zijn.
- Van Libramont. Dat klinkt een tikkeltje teleurgesteld. Het zijn Franstaligen en Jozefs en Jozefa's Frans zijn niet goed genoeg voor een vlotte babbel.
Een paar treden leiden naar het terras. Niemand zit er nu. De tafels en stoelen spelen decor.
Een brede deur die open staat. Dat zal de ingang wel zijn. Inderdaad. En zij worden verwacht. Op het tafeltje dat vlak achter de deur staat ligt de faxboodschap die zij verstuurden.
Daar komt de patron ook al aan. Bonjour en goede middag.
Jozef en Jozefa kunnen zeggen wie ze zijn.
- Mais oui, mais oui. De patron neemt een sleutel van het bord. Volg mij maar. Jozef en Jozefa volgen de patron; Mariboe heet hij. Mariboe stapt gezwind, alsof hij een speels ballet opvoert, langs de tafels, het zwembad, naar een gebouw dat tegen het hoofdgebouw aanleunt.
Mariboe opent de deur en legt uit hoe het in zijn werk gaat, zo snel dat Jozef en Jozefa maar de helft verstaan. Mariboe is al de trap in de grote hal op. Een doordringende geur heerst in de traphal. Jozef kan de geur eerst niet thuisbrengen, maar later schiet het hem te binnen: de geur van anijs. Een ontsmettingsmiddel met de geur van anijs. Je moet er maar opkomen.
Mariboe is al aan het einde van de gang boven. Hij opent de deur, knipt alle lichten aan en uit, geeft uitleg, overhandigt de sleutel, en is met een gelukzalige glimlach ballet dansend alweer vertrokken. Jozef en Jozefa blijven onthutst achter.
- Hier blijf ik niet! roept Jozefa.
Jozef moet niet vragen waarom. In minder dan een kwart oogopslag heeft hij het gezien. Het is een kleine kamer, een klein kamertje, een kamertje voor kaboutertjes, een logeerkamertje voor lilliputtertjes.
Rechts van de deur staat een bed (met normale afmetingen); links daarvan, tegen de raamkant, een nachtkastje; rechts van het bed, tegen de muur van de gang met de deur, een hoge smalle kast met een smalle deur, de kleerkast. Voor het bed staat een commode en in een hoek een stoel. Alle meubels zijn roze geschilderd, met blauwe en gele biezen. Er is amper licht en er is amper plaats. Dat is het.



- Hier blijf ik geen veertien dagen! roept Jozefa.
- Wat wil je dan gaan doen? vraagt Jozef. Hij vindt het ook geen super de luxe kamer, verre van, maar in de Provence, in het Zonnige Zuiden, verblijf je toch alleen op je kamer om te slapen. De rest van de tijd breng je buiten door.
Jozefa weet niet direct een antwoord. Je kunt tenslotte ook niet met goed fatsoen je kamer die je voor veertien dagen geboekt hebt, na een kwartier al opzeggen. Vindt daar maar een plausibele reden voor.
- Laten we de zaak eens nuchter bekijken, zegt Jozef. We hebben wat we gevraagd hebben: een kamer met toilet en douche. Of moeten we in het vervolg ook de gewenste minimum afmetingen van de kamer doorgeven?
- Dat is waar.
- We liggen aan het einde van de gang, dat heeft ook zijn voordelen. Hoogstens lawaai aan één kant.
- Dat is waar.
- We hebben uitzicht op de bergen. Jozef heeft de luiken opengedaan en leunt door het raam naar buiten. En beneden ons uitzicht op een muur.
- We zullen het een paar dagen aanzien, zegt Jozefa, een beetje gekalmeerd. Als het eten goed is, dan kunnen we blijven, maar als ook dat tegenvalt, dan laat ik ons Hilde een fax sturen dat we dringend naar huis moeten komen omdat onze pa overleden is.
- Laten we het daar op houden, zegt Jozef.
Nu de eerste problemen opgelost zijn, kunnen ze aan de slag: koffers halen en uitpakken. Als dat achter de rug is, is er nog veel minder plaats, eigenlijk geen plaats meer. De kleine koffers staan op de smalle kleerkast en de grote onder het raam. Nu kunnen ze even uitblazen. Jozef gaat op het bed liggen en Jozefa gaat zich verfrissen.
- Jozef, de lamp boven de wastafel is kapot.
- Daarnet brandde ze nog.
- Maar nu is ze kapot.
- Dan moet je aan Mariboe een andere vragen.
Even later telefoneert Jozefa met Mariboe. Hij zal direct de kapotte lamp komen vervangen.
Jozef en Jozefa willen wat gaan wandelen in het stadje maar zullen wachten tot Mariboe geweest is. Die laat op zich wachten. Dan vertrekken ze maar. En dan moet Jozefa opeens een grote boodschap doen. En net als Jozefa zit klopt Mariboe aan.
- Als het Mariboe is, dan moet ge hem niet binnenlaten, roept Jozefa. Het toilet staat recht tegenover de wastafel.
Jozef doet open en kan Mariboe, die gezwind wilde binnen swingen, nog net tegenhouden. Mariboe draagt een lamp.
- Geef maar hier, zegt Jozef, naar de lamp wijzend.
Jozef krijgt de lamp en Mariboe danst weg.
Het is een kleine neonlamp en het duurt even voor Jozef door heeft hoe alles juist in elkaar steekt, maar hij krijgt het klusje geklaard, tot zijn grote voldoening.
- Voilà, we hebben weer licht, verkondigt hij.
- Jij kunt toch ook alles, hé, looft Jozefa.
- Niet alles maar heel veel. Jozef is een bescheiden man.
Nu Jozefa gedaan heeft en de lamp gemaakt is, kunnen ze vertrekken.
Jozef neemt de kapotte lamp mee naar beneden, naar de lounge. Mariboe is er niet. Er loopt een vrouw rond die duidelijk geen toeriste is, ze heeft het air van een chef. Ze is de vrouw van de chef, van Mariboe, maar dat verneemt Jozef pas later.
- Bonjour Madame. Jozef geeft de lamp aan haar. De vrouw kijkt Jozef niet begrijpend aan.
- J'ai remplacé une lampe, verklaart Jozef. En dan laat zijn Franse kennis hem zeer pijnlijk in de steek. Wat is nu, verdorie! kapot in het Frans? vraagt hij zijn brein.
- Cette lampe est... euh... kaput.
Waarom zegt hij nu in 's hemelsnaam kaput? Hij weet het niet. Misschien denkt zijn onderbewustzijn dat iedereen dat verstaat: kaput.
De vrouw neemt de lamp aan zonder één woord te zeggen. En later spreekt zij ook geen woord meer tegen Jozef en Jozefa. Zeer verwonderlijk voor de gastvrouw in een hotel. Vanwege dat 'kaput' vroeg Jozef zich wel eens af. Denkt de vrouw dat zij Duitsers zijn en heeft zij iets tegen Duitsers? Dat is niet het geval, blijkt later, wanneer Jozef en Jozefa de vrouw zeer vriendelijk bezig horen tegen Duitsers.
In het stadje is een plein. Mannen spelen met opgestroopte hemdsmouwen pétanque alsof hun leven ervan afhangt. Moeders zitten met hun kinderen op banken en kijken naar het spel of praten met elkaar.
Dat is nu de Provence, denkt Jozef. Een vreemd geluksgevoel doorstroomt hem en hij voelt zich hier helemaal thuis.
Jozef en Jozefa zitten vroeg aan tafel. Zij zijn de eersten om juist te zijn. Zij hebben op het terras een plaatsje uitgekozen vanwaar ze alles goed kunnen overzien.
Langzaam geraakt het terras vol. Allemaal toeristen: dikke en dunne, lange en korte, oude en jonge, sommigen vuurrood verbrand.
De opmerkelijkste gasten zitten aan één tafel, eigenlijk aan twee tafels, bijna vlak voor hen. Het zijn Hollanders en dat hoort iedereen. Ze zijn met zevenen en ze zouden niet echt opvallen als er niet een speciaal iemand bij zat: hij is slank en lijkt van kwikzilver, voortdurend is hij in de weer, hij heeft lange witte manen en een gestileerd baardje.
- Ik durf wedden dat die man met zijn lang wit haar en baardje een artiest is, zegt Jozef. Hij krijgt later gelijk.
De dienster die Jozef en Jozefa bedient is vriendelijk. Het eten smaakt voortreffelijk. Jozefa besluit nog wat te blijven en nog geen fax met onheilsboodschap te laten verzenden.

Home © Uitgeverij De Graal 2008 Deel 3 : Pont du Gard