Johan Van Nijen Onrust in de Provence
Deel 1 - Op weg naar de Provence
Uitgeverij De Graal
Jozef en Jozefa gaan op reis. Naar de Provence.
De koffers zijn gepakt en ingeladen. De auto staat klaar.
- Is het gas afgesloten? En het water? En de elektriciteit? vraagt Jozefa.
- Alles is afgesloten, antwoordt Jozef.
- Je bent toch zeker.
- Heel zeker.
- Je bent nooit zeker genoeg.
De kinderen zullen regelmatig de brievenbus leegmaken en ook een oogje in het zeil houden. Er kan niets gebeuren tijdens hun afwezigheid.
- Dat weten we pas als we terug thuis zijn, zegt Jozefa.
- Dat is waar, zegt Jozef, maar daar hoeven we ons nu nog geen zorgen om te maken.
Jozef en Jozefa kunnen vertrekken. Het regent.
- Op naar de zon! roept Jozef vrolijk.
- Dat zullen we afwachten, zegt Jozefa.
De weersvooruitzichten voor de Provence waren weinig zonnig en dus verre van bemoedigend. Maar in een oogwenk kan alles veranderen.
Een half uur na het vertrek rijden Jozef en Jozefa over de autoweg Antwerpen Luik oftewel de Boudewijnsnelweg, een weg waar men altijd en immer wel ergens aan het werken is.
Jozef rijdt en geeft commentaar op de andere chauffeurs als ze naar zijn mening stommiteiten uithalen. Zijn eigen stommiteiten beseft hij meestal niet eens.
De autoweg is een deel van het netwerk herinneringen en de borden onderweg fungeren als geheugensteun. Ha ja, dat gebeurde hier.
Hier sleept Jozef zijn zuster en schoonbroer weg. Zij zaten in een auto natuurlijk. En zij hadden pech. Via praatpaal en telefoon van de Rijkswacht kwam die onheilstijding bij Jozef terecht. Hij aarzelde niet en rukte uit om ter hulp te snellen, wat zeer op prijs werd gesteld. De kleine karavaan was nog maar net vertrokken of zij mocht alweer stoppen. Zwaantjes. En wat er aan de hand was? Zagen zij dat dan niet? dacht Jozef, maar vroeg hij niet. Uitleg. Ha ja. En of ze wisten dat ze zo snel mogelijk de autoweg moesten verlaten? Dat wil zeggen: aan de eerstvolgende uitrit.
Dat wist Jozef niet maar hij gebaarde van Kromme Naas en wou "dank u, generaal" zeggen, want zo indrukwekkend zag die man er uit, maar hij deed het toch maar niet. Dat was veiliger, dacht hij, en daar had hij groot gelijk in. De generaal kon het misschien slecht opnemen.
Uitrit Hasselt centrum. Hier reed Jozef jaren geleden als een vliegende zot naartoe. Hij had vierkant een afspraak vergeten en na een indringend telefoongesprek was deze uitrit zijn laatste kans om met bergsportvrienden mee te kunnen naar Zwitserland.
Uitrit Tongeren. Hoeveel keren hebben hij en Jozefa die niet genomen op weg naar Maastricht en dokter George, want zo noemden zij na enige tijd de dokter die Jozefa behandelde. Jozefa had een hernia en leed ondraaglijke pijnen. Dokter George kon Jozefa van de pijn verlossen via acupunctuur. Verdween de pijn vanzelf of hebben de naalden echt geholpen? Zij weten het niet. Maar toen zij twee weken niet naar dokter George konden rijden omdat zij op vakantie waren, zijn zij nadien niet meer teruggekeerd.
Een eind verder staat naast de autoweg een klein monument, een gedenksteen waarschijnlijk. Hoe vaak is Jozef er al voorbij gereden? Evenveel keren heeft hij zich afgevraagd wat er wel op die gedenksteen mag staan. En hetzelfde aantal keren moest hij de neiging (bijna een onweerstaanbare drang) onderdrukken om te stoppen en de tekst op de gedenksteen te lezen. Maar op een autoweg stop je niet zonder gegronde reden en het ontcijferen van een tekst, zelfs op een gedenksteen, oordeelt Jozef toch niet gewichtig genoeg om te stoppen. Ook nu rijdt Jozef voorbij de gedenksteen, ook nu vraagt hij zich af wat er toch wel op mag staan (de volgende keer stop ik zeker, neemt hij zich voor. Ik wil weten wat daar geschreven staat.) en ook nu rijdt hij verder, een beetje uit zijn humeur omdat hij alweer niet stopte.
In de verte steken metalen torens met grote antennes in de lucht. Dat is het eerste echte baken op de reis. Direct na de torens verschijnt een bord.
Viaduc de Boirs
Le Geer
Vanaf hier voelt Jozef zich pas echt op reis. Hij weet niet waarom maar het is zo. De weg duikt naar beneden. Jozef laat het gaspedaal bijna helemaal los. Ook zonder gas te geven gaat het snel naar beneden. En daar staat al een ander bord met o.a. 'Glons' erop. Iemand vertelde Jozef ooit dat daar de grootste bunker van België diep in de grond steekt. Vanuit die bunker werd heel het luchtruim gecontroleerd. Een miljoenen kostend geval, zei de man, maar het domme was eigenlijk dat een goedkoop plastic bommetje de bovengrondse radarantenne zo kon uitschakelen, en dan diende al die dure en gesofistikeerde apparatuur in de grond tot niets meer.
Jozef zou wel eens een kijkje in die bunker willen nemen. Hij heeft het druk met denken onderweg. Telkens hij deze rit maakt, komen dezelfde gedachten bij hem op. Hij zou soms iets anders willen denken, want altijd hetzelfde werkt nu ook niet bepaald inspirerend, maar nooit schieten hem spetterende ideeën te binnen. Ook nu niet. Hij kijkt naar rechts. Daar ergens moet die radarschotel staan. Hij kan in de korte tijd dat hij zijn aandacht niet bij de weg houdt, de schotel niet ontwaren. Maar Jozefa knikkebolt nog altijd. Zij is al veel eerder in slaap gedommeld.
De weg gaat al omhoog en Jozef moet nu goed gas geven om snelheid te houden.
En dan zijn zij zo in Luik en rijden gezapig langs de Maas onder vele bruggen duikend en weer oprijzend; het lijkt wel op vlinderslag.
Een heel eind voorbij Luik is een auto-ongeval gebeurd: een auto en de ermee verbonden caravan liggen op hun kant. Een Nederlandse nummerplaat op de caravan. Voor die noorderburen is de reis voortijdig afgebroken. Pas vertrokken en al gedaan. Dat is toch wel heel erg, denkt Jozef. Dat vindt Jozefa, al lang weer wakker, ook.
Een beetje verder staat op de pechstrook nog een auto en een caravan met een Nederlandse nummerplaat. Reden zij samen met de pechvogels? Dan wacht hen een zeer moeilijke beslissing. Alleen verder rijden of ook omkeren? Wat zij ook kiezen, ook hun vakantie zal anders zijn dan normaal.
Het valt Jozef en Jozefa op hoeveel Nederlanders onderweg zijn met hun caravan. Het lijkt wel een volksverhuizing. Vele caravans zijn van het merk 'Chateau'. Kan de mens nog niet als de slak zijn huisje op zijn rug meenemen, hij kan wel zijn kasteeltje op wielen overal mee naartoe trekken. En 's avonds denkt de eigenaar: my home is my castle.
Autowegen zijn toch een mooi ding. Hoeveel dagen zou je vroeger nodig gehad hebben om dezelfde afstand af te leggen? Als je er al aan dacht aan zo'n avontuur te beginnen. Jozef zou er waarschijnlijk niet aan begonnen zijn: hij droomt wel van avonturen maar is niet echt avontuurlijk. Het onbekende schrikt hem af.
In het Groothertogdom stoppen ze even om te tanken. Het prijsverschil van de benzine is niet meer zo groot als vroeger, maar het loont nog altijd de moeite om even je tank vol te gooien. Elke gewonnen frank is er een.
Frankrijk al. Dit is een bekend gebied: langs hier reed Jozef meerdere keren naar de Vogezen.
Op de weg zijn strepen aangebracht en je moet minstens twee strepen laten tussen jou en je voorganger, leest Jozef op een bord. De Fransen verstaan geen Frans of kunnen niet lezen: twee strepen is te weinig om rekening mee te houden. Jozef probeert het wel, maar dat is niet gemakkelijk: de Fransen vliegen hem voorbij en voegen dan vaak in tussen hem en zijn voorganger. Weg twee strepen.
- De Fransen rijden als zotten, zegt Jozef.
- Dat is waar, zegt Jozefa.
Zij houden een paar keer halt: om een hapje te eten en om de benen te strekken.
Zij maken kennis met de tolhuisjes. Kredietkaart afgeven en klaar is kees. Betalen volgt later. Dat is gemakkelijk.
De tijd verstrijkt en daar is het einddoel van hun eerste dag al in het gezicht. Zij rijden de autoweg af en kiezen richting Beaune. Daar staan de tolhuisjes. Geen mogelijkheid om er omheen te rijden en aan de tol te ontsnappen. Dat wil Jozef ook niet. Hij stopt, raam omlaag, bonjour en kredietkaart afgeven en weer ontvangen samen met het kasticket. Jozefa bewaart de tickets in een mapje, voor de afrekening later.
Voorbij de tolhuisjes lijkt het wel of alle bekende hotelketens hier verzamelen hebben geblazen en een hotel hebben neergepoot. Hier is er maar één probleem: kiezen welk hotel je mag herbergen.
- Misschien kunnen we hier ergens overnachten, zegt Jozef, dat is gemakkelijk. Hij ziet er tegenop in Beaune de weg te zoeken. En het Hotel Dieu dat zij wilden bezoeken, interesseert hem maar matig.
- We rijden naar Beaune, zegt Jozefa.
Jozef rijdt verder. Hij weet niet waar hij heen moet rijden. Hij volgt borden richting centrum - dat kan nooit verkeerd zijn - en opeens staat hij op een pleintje en hij weet het niet meer. Hij parkeert en vraagt: wat wil je nu eigenlijk?
- Hier in Beaune overnachten, dat was zo toch afgesproken.
- Jawel, maar waar?
- Dat weet ik niet.
Jozef neemt de hotelgids van Logis de France en zoekt Beaune.
- Er is een hotel op de Place Madeleine. We kunnen toch eens gaan zien.
Daar heeft Jozefa geen bezwaar tegen: kijken kost niets.
Jozef start de auto en vertrekt. Hij draait eens naar links en eens naar rechts en na nog een paar manoeuvres staat hij op de Place Madeleine. Hij staat er van te kijken. Hoe is dat mogelijk? Hij is nog nooit ergens heen gereden zonder zoeken en sakkeren. En nu dit. Het is een wonder dat door de kerk wel nooit erkend zal worden.
De Place Madeleine staat vol auto's en Jozef vindt ook nog een parkeerplaats. Nog een wonder.
- Voilà, de Place Madeleine, zegt hij trots.
- Hier laat ik onze auto nooit achter, zegt Jozefa.
- Ginder is het hotel, zegt Jozef. Het lijkt hem wel wat.
- Ik overnacht niet in dat hotel, zegt Jozefa.
- We hebben het nog niet gezien.
- Ik stap niet uit.
Jozef begrijpt het. Hij start de auto en vertrekt. Hij rijdt maar wat rond, op het goed valle uit.
- Kijk! Daar! Het Hotel Dieu! roept Jozef wanneer ze het gebouw passeren. Er staat een bord dat de toeristen daar attent op maakt, anders had hij het niet geweten.
Het Hotel Dieu verwekt bij Jozefa geen bewonderende uitroepen en Jozef spitst al zijn aandacht dan maar op het verkeer. Hij rijdt en rijdt en weet niet waarheen. Hij heeft de indruk dat zij de stad uitrijden en wat later is hij daar heel zeker van. En het is een andere weg dan daarstraks. Jozefa zegt niets en Jozef rijdt verder. Voor zijn part naar het einde van de wereld.
- Daar! Een hotel! roept Jozefa.
- Inderdaad. Jozef heeft het hotel aan de overkant van de weg ook opgemerkt.
- Daar gaan we slapen, zegt Jozefa.
Jozef vraagt zich af waarom nu juist daar, doch hij stelt de vraag niet. Hij wil maar één ding: de auto uit en gaan liggen, in een iglo desnoods, als de matras maar zacht is. Hij keert de auto en parkeert op de parking van het hotel 'Alesia'. Het hotel is volgeboekt. Dat is een koude douche. Weer de auto in en weer...
Er zijn feestelijkheden in Beaune, verklaart de receptionist. Daarom was het zo druk, denkt Jozef.
Zij bedanken de receptionist en willen vertrekken. Maar... Jozef krijgt een hemelse ingeving.
- Weet u misschien waar we nog een kamer kunnen vinden? vraagt hij. Hij heeft niet veel zin om van hotel naar hotel te rijden.
De receptionist is een zeer vriendelijke man en hij zal informeren. Hij neemt de telefoon en begint te bellen. Het is inderdaad druk in Beaune. Pas na het vierde telefoontje - Jozef en Jozefa hielden hun hart al vertwijfeld vast: vinden wij nog een bed? - kan de man positief antwoorden. Er is nog plaats in hotel Clarine. Weten zij waar dat is? Nee! De man neemt een folder met op de achterkant het stratenplan van Beaune. Het is niet moeilijk. U staat hier en u rijdt altijd rechtdoor, hier rechtsaf, u volgt een soort ring en die blijft u maar volgen. U komt er vanzelf.
- Bedankt! Bedankt! Jozef en Jozefa zijn gelukkig zo'n vriendelijke man ontmoet te hebben.
- Dat was een goed idee van jou om dat te vragen, zegt Jozefa buiten.
- Ik heb soms goede ideeën maar veel te weinig, wuift Jozef de lof weg.
Jozef start de auto en vertrekt. Na enige tijd herkent hij de weg. Hier hebben zij daarstraks ook gereden. Jozefa merkt het ook. En dat daar herkent Jozef helemaal. Daar verschijnt de collectie hotels. Hij zegt niets maar denkt dat veel moeite hem bespaard had kunnen blijven. Maar goed, gedane zaken...
Hij parkeert de wagen en zij stappen uit.
De meneer achter de balie kijkt verbaasd op. Gereserveerd? Hij weet van niets. Tenslotte blijkt dat het hotel waar zij moeten zijn net achter het hotel ligt waar zij niet moeten zijn. Goedenavond, meneer.
Zij stappen in.
Jozef start de auto en vertrekt. Hij hoopt dat het voor vandaag de laatste keer is. En dat is zo.
Hotel Clarine. Aan de balie worden Jozef en Jozefa vriendelijk ontvangen. Jawel, zij weten van het telefoontje. Hartelijk welkom hier. En, zij hebben geluk, het was de laatste vrije kamer.
De kamer ligt aan een lange gang met aan beide zijden deuren. Het lijkt wel een gang in een ziekenhuis, denkt Jozef, maar dat is geen bezwaar, als deze kamer niet vrij was geweest hadden zij misschien wel in een ziekenhuis moeten overnachten of in een cel van het politiekantoor. Je mag er niet aan denken.
Jozef en Jozefa halen alle bagage uit de koffer en deponeren alles in hun kamer. Die is niet al te groot en alle doorgangen zijn zo goed als versperd, maar dat is niet erg: het is maar voor één nacht.
Sinds hun dochter en haar vriend beroofd werden van alle bagage die in de koffer lag van de huurauto, waarmee zij rondreisden, hebben zij zich voorgenomen nooit nog iets, niet het minste, in de koffer achter te laten. Gevolg: vanavond een hele verhuis. Maar liever dat dan niet slapen van heel de tijd te liggen denken: is er morgen mijn bagage nog?
Aardige en zeer gewaardeerde verrassing: op het rek naast de telefoon en de TV staat ook nog een klein kooktoestel en twee kopjes, en er ligt ook nog één theebuiltje en één zakje poederkoffie. Alles wat nodig is voor een verkwikkend drankje.
Jozef haalt water en Jozefa brengt het aan de kook.
Jozef drinkt koffie en Jozefa thee. Hum, dat smaakt heerlijk. En er liggen ook nog een paar koekjes bij. Dat is pas een goed onthaal. Als Jozef en Jozefa nog eens in Beaune terechtkomen dan overnachten zij gegarandeerd in hotel Clarine. Zeker weten.
Het avondmaal smaakt heerlijk.
Jozef en Jozefa duiken in bed en zijn spoedig naar dromenland vertrokken.

Home © Uitgeverij De Graal 2008 Deel 2 : Aankomst