Het Begin
Solwaster - Caban de Negus
Jos ontmoette ik voor het eerst op een feestje van de belastingen.
Hij was bevriend met een collega van mij. Ja, van de belastingen.
En die collega wist dat ik al lang droomde van een tocht door de Hoge Venen, het ongerepte en eenzame landschap spraken me geweldig aan. Maar ik kende de Hoge Venen alleen van foto’s en documentaires op televisie. Jos werd me door die collega aangewezen als een kenner van die streek. We kwamen met elkaar in contact, een afspraak werd gemaakt en...
Nu zijn we op weg naar Solwaster, vertrekpunt van een tweedaagse tocht, want Jos maakte er maar ineens een tweedaagse van, de beste manier om met de Hoge Venen kennis te maken.

In de manshoge ommuurde tuin voor de pas­torie van Sol­waster is plaats genoeg voor een paar auto's, maar Jos mag van de pastoorsmeid er zijn volvo toch niet stallen. Boezemt hij haar geen vertrouwen in of is zijn Frans niet deftig genoeg? Een betere parkeerplaats om de auto voor twee dagen achter te laten is er noch­tans niet. En een andere eigenlijk ook niet. Noodge­dwon­gen parkeert hij de auto zo dicht mogelijk in de hoek gevormd door de omheining van de pastorie en de kerk, in de hoop dat er de volgende twee dagen niets mee zal gebeuren.

Rocher de Bilisse
Rocher de Bilisse

Wij trekken onze rubberlaarzen aan, hangen de rug­zak over onze schouders en vertrekken. Het is klok­slag elf. De zon schijnt op de eerste april van 1978.

Ik houd de topografische kaart in mijn handen, maar veel zal ik ze niet moeten raadplegen. Ten eerste, Jos kent, zoals reeds gezegd, de streek als zijn broekzak. Ten tweede, wij volgen natuurlijke wegen, zoals de loop van een riviertje. Toch kijk ik af en toe op de kaart: prak­tische kaartleesoefe­ning.

Door de mooie morgen verlaten wij Solwaster en den­ken al niet meer aan de pastoorsmeid. Wij lopen naar het oosten en bereiken spoedig het bruggetje over 'de Statte', een uit­bundig riviertje dat wij gedurende de eerste paar uur zul­len volgen.
Van op het bruggetje volgen we even het spel van het kab­belende en klaterende water, dalen dan af naar de oever van het riviertje en begin­nen onze tocht stroomopwaarts.

Rocher de Bilisse
de Statte

Spoedig worden wij opgenomen in de natuur en over­valt ons dat heerlijke en weldadige gevoel dat met geen pen valt te beschrijven: een soort euforie omdat je vrij bent en alles gaat ontdekken. En voor mij is alles gloednieuw. Ik geniet met volle teugen van het avontuur. De natuur staat er nog kaal en koud bij. Dat biedt één voordeel: je kunt ver zien tussen de bomen. De 'Rocher de Bilisse' staat haaks op het dal. Het is een rotsmassief dat plotseling uit het niets voor je oprijst, een verrassing waar je tegenop kijkt. Op de rot­sen zijn witte en rode recht­hoekjes geschilderd, vlak onder en tegen elkaar. Wat betekent dat? Zij markeren de GR5, het Grote Routepad nummer 5, dat Bergen op Zoom ver­bindt met Nice. Het is mijn eerste kennismaking met GR-tekens, maar op dat ogenblik wist ik nog niet wat een GR was.

Ik loop het paadje naast de rotsen op en neem een foto van boven dal inwaarts. Indrukwekkend vogel­perspectief.

Jos loopt voorop. Zijn rode rugzak danst als een vlam tus­sen de bomen en langs het riviertje. Wij blijven de Statte volgen,
passeren de 'Cascade des Nûtons', een paar opval­lende watervalletjes. Eigenlijk is de Statte, zoals vele riviertjes in de Hoge Venen, een opeenvolging van water­valletjes.
Aan de 'Chemin de Moréfagne' besluiten wij een hapje te eten. Wij steken die weg over en installeren ons aan de Statte. Jos haalt zijn kook­gerei tevoorschijn en spoedig kookt de soep. Een warme drank, dat doet toch deugd. Na de soep volgt dam­pende hut­sepot de weg naar onze honge­rige ingewanden. Het smaakt als in het beste restaurant.
Wij nemen ruim de tijd voor het diner. Tenslotte zijn we niet naar hier gekomen om ons te laten opjagen. Wij willen genieten van de rust en de vrede, verloren gewaande zaken die het woud nog overvloedig schenkt. Dus geen kilometer­vreterij en evenmin eten­schrokkerij.

Chemin de Moréfagne
Chemin de Moréfagne

Na de afwas en het inpakken van alles wat we gebruikten, kunnen wij verder trekken. Niemand kan zien waar wij gezeten en gegeten hebben. We volgen nu de Chemin de Moréfagne, een kaarsrechte weg, zoals bijna alle wegen en brandgangen in de wouden van de Hoge Venen. Romaanse en Gotische kathedralen zijn prachtig en indrukwekkend. Het zijn niet geëvenaarde getuigen van de scheppingskracht van de mens; maar zij zijn niet zo eerlijk groots als deze eenvoudige weg door het woud, waar de koepel van de hemel rust op duizenden boomtoppen. Het schip van elke kerk verschrompelt bij dit natuurlijke schip. Het schip voert ons omhoog, van 540 meter naar 600 meter, geen groot niveauver­schil, maar als we omkijken, zien we de weg als een reuzenspringschans de diepte induiken. Om duizelig van te worden.
Het 'Monument Américain' staat op een kruispunt vlak bij de 'Grande Fagne'. Het bestaat uit een driebladige vlieg­tuigschroef die rust op een rots van anderhalve meter hoog en een kruis vlak ervoor. Voor het kruis vertrekken in drie­hoekvorm twee rijen rotsblokken naar de zoom van het woud. Twee kinderen springen over die rotsblokken. Zij amuseren zich heel goed.
We lopen langs de boord van het Grande Fagne. Ik sta stil en kijk over het veen, een onmetelijke vlakte van veenmos en het alles overwoekerende pijpestro, en waar hier en daar een spar opschiet. De horizon verdrinkt in de eeuwigheid. Ik lijk plotseling in een andere wereld terechtgekomen en voel me beklemd. Ik denk aan de mensen die in de Hoge Venen verdwaalden en stierven. Het lijkt me nu zeer reëel. "Is het niet prachtig?" Jos brengt me terug op de begane grond.
"Het is niet te beschrijven." Ik ben Jos dankbaar dat hij me meeneemt naar zo'n mooi gebied, en ik ben blij dat hij er is: met hem zal ik niet verdwalen.
We volgen een wegje rechts en een wegje links en lopen zo recht op grenspaal 151 en het ernaast staande vermaarde 'Croix des Fiancés'. Op deze plaats vond men op 22 maart 1871 het stoffelijke overschot van Maria Solheid, en een eind verder het lichaam van haar verloofde François Reiff. Op 22 januari wilde het jonge paar te voet van Jalhay naar Xhoffraix gaan. De sneeuw lag toen al 75 centimeter dik. Op hun tocht kwamen de verloofden om. We proberen ons die barre tijden van toen voor te stellen en denken eraan dat ook nu nog de Hoge Venen geen roekeloos gedrag gedogen.







Chemin de Moréfagne
Monument Américain

We vervolgen onze weg tot aan het riviertje de 'Polleur'. Wij balanceren over de hoogtelijn van 620 meter en als wij rechts kijken door een brandgang, zien wij het woud naar beneden dalen.
Aan de Polleur nemen wij rechts een pad dat ons door het woud leidt naar de boord van het veen 'Setay'. Jos wijst naar een punt in de verte. Over het veen zie je ver weg het woud naar een bepaald hoog punt toe groeien. Daar, ginder heel ver, dat is het hoogste punt van België, verklaart Jos, de 'Botrange', 694 meter hoog. Er staat daar een toren en daarvan ligt het hoogste punt op 718 meter. Het is goed iemand bij te hebben die zo 't een en 't ander weet. Over het veen en het verre woud drijven enorme wolken.
Langs de rand van het veen trekken wij verder. We willen het veen 'Frêneu' bereiken, want daar staat de schuilhut 'Cabane de Négus', waarin wij willen overnachten, als we tenminste niet ongelegen komen.
De zompige veenbodem zuigt onze laarzen vast; het is trekken en sleuren om vooruit te komen en goed opletten of je laarzen blijven in het veen achter. De werkelijkheid klopt niet meer met de kaart: jonge sparaanplanting is in de plaats gekomen van veen.
Hier moet het nochtans ergens zijn, zegt Jos, als wij de schuilhut niet vinden. We lopen wat rond en staan plotse­ling voor een houten schuilhut in de vorm van een tent. Dat is nieuw, zegt Jos. De deur staat open. We kijken binnen. Het ziet er geweldig knus en intiem uit. Wij willen er zo wel induiken. Maar iets weerhoudt ons. De hut is te mooi en te nieuw om publiek te zijn.







Chemin de Moréfagne
Croix des fiancés

Een jong koppel dat uit het niets verschijnt, verschaft uitleg. Van de jonge man, die het woord voert, verstaan wij niet veel, maar wij begrijpen wel dat wij in die hut de nacht niet zullen doorbrengen. Het koppel duikt in de hut en de deur vliegt toe. We kijken elkaar aan en kunnen erin komen dat het paar liever geen pottenkijkers heeft. Hoe zou jezelf zijn?
Nu vinden we dadelijk de authentieke Cabane de Negus. We kwamen uit oostelijke richting en merkten daardoor de schuilhut niet onmiddellijk op: nieuwe aanplantingen ver­bergen de hut. Vanuit het noorden en het zuiden loopt een pad vlak naast de hut. Ook de GR5 komt hier voorbij.

De hut nodigt ons royaal uit: er hangt geen deur in. Het is een wankel bouwwerk uit overschotten en restjes van plan­ken ineengetimmerd en bedekt met asfaltpapier. Rechts van de hut is een aarden wal opgeworpen om ze tegen de wind te beschutten.
De rugzakken glijden van onze schouders en wij nemen bezit van de hut. Vooraan staat een wankel tafeltje met twee wankele bankjes, daar vlak achter staat de beddenbak op poten, er ligt stro in het nachtverblijf. Onder het plankier staat een grote en schijnbaar diepe plas. Laten we hopen niet door het bed te zakken.








Chemin de Moréfagne
Aan de rand van Setai

Door kieren en gaten en sple­ten tocht het. Door de voorgevel hebben we een ongerept uit­zicht op het weidse landschap. We moeten oppassen niet voortdurend ons hoofd te stoten. En wij zijn gelukkig, zeer gelukkig. We zijn de koning te rijk. We installeren ons en beginnen aan het avondmaal. Daarna verkennen wij de omgeving. Het is overal drassig, hier en daar liggen uit­gestrekte plassen. Het is uitkijken om niet tot aan je middel weg te zakken.
Achter een verre bomenrij zakt de zon weg, stralen schie­tend naar alle richtingen. In het tegenlicht steekt één boom hoog en afgetekend boven de rij uit. Een zonsondergang is altijd mooi, maar stemt ook steeds weemoedig.
We kruipen in onze slaapzakken en wensen elkaar goede­nacht. 's Nachts schiet ik wakker. Ik kom half overeind. In de verte wenken de vele lichtjes van een dorp. Honderden schitterende diamantjes op een zwart doek. Vooral honderden tekens van leven. Wat gebeurt er nu ginder? Waarschijnlijk niets. En toch zou je er naartoe willen gaan, aangetrokken door een magische kracht die de deuren naar het avontuur op een kier zet. Om de deur te openen moet je opstaan en vertrekken. Dat doe ik niet. Ik staar gefascineerd naar die lichtjes. Uren zou ik zo kunnen blijven







Chemin de Moréfagne
Cabane de Negus

kijken. Ik krijg het echter koud en kruip weer diep in mijn warme slaapzak. Ik denk aan Maria, aan de kinderen (Heidi zal nu wel bij Maria in het 'groot bed' liggen), aan de lichtjes, aan avon­tuur. Ik val in slaap.






Chemin de Moréfagne
Gezicht vanuit Cabane de Negus

Vandaag begint het zomeruur. Moet ik nu mijn horloge een uur vooruit of achteruit zetten? Ik weet het niet.







Chemin de Moréfagne
De zon gaat onder

Ik kruip uit mijn warme nest en kleed me aan. Ik wil de zonsopgang fotograferen. Dat moeten onvergetelijke beelden worden. De hemel barst open en de dageraad daalt over het land. Het is fris. Het landschap is wit van de rijm. Overal stilte.
Terwijl Jos nog in zijn slaapzak ligt te knorren, wacht ik geduldig op de zon. Vanachter de bomen rijst zij stralend omhoog.







Chemin de Moréfagne
Een nieuwe dag breekt aan
Daarmee is de dag voorgoed begonnen en schiet ook Jos uit zijn kooi.
Gisteravond hebben wij de route voor vandaag nog be­sproken. We dalen af naar het riviertje 'Trôs Marêts' en volgen dat tot aan de tweede weg erover. Het is geen gemakkelijke route langs het riviertje: er is geen pad. We volgen het riviertje op de linkeroever en dat voert ons door bos, zodat we onze weg tussen de bomen moeten zoeken. Maar we blijven steeds in de nabijheid van het riviertje.







Chemin de Moréfagne
De zon komt stralend op

Het grote voordeel van deze oever is dat we over stevige bodem lopen. Aan de overkant grenst het riviertje aan het veen 'Frêneu', en je moet er niet aan twijfelen dat het daar veel lastiger lopen is, al blijkt daar volgens de kaart wel een pad te zijn. Maar wat zo'n pad waard is, hebben we ondervon­den op het stuk Cabane de Negus - Trôs Marêts. Waar­schijnlijk zak je aan de overkant ook tot aan je knieën weg. Hier tussen de bomen en langs het riviertje vinden wij het goed vertoeven.
We steken de weg Hockai-Xhoffraix over en zakken het riviertje verder af tot aan de volgende weg. Deze weg voert ons door het woud tot aan het riviertje 'Ru de Tarnion'. We steken dit riviertje over en verwijlen even bij het 'Monument Fredericq'. Aan professor Léon Fredericq hebben wij het behoud van de Hoge Venen te danken. Twee jaar na zijn dood werd het monument onthuld op 13 juni 1937. Het is een eenvoudige bronzen plaat met zijn portret in bas-reliëf, die werd aangebracht op een grote losstaande rots­blok.
We volgen nu stroomopwaarts de Ru de Tarnion. We tellen de ene grenspaal na de andere: 143, 144, 145. We steken de weg Hockai-Xhoffraix opnieuw over. Hier staat een kruis: het 'Croix Dehottay'. Grenspaal 146, 147, en weer een kruis, het 'Croix Delvoie'. Hier ontspringt de Ru de Tarnion. Een beetje verder nemen wij een weg naar rechts.

We volgen nu stroomopwaarts de Ru de Tarnion. We tellen de ene grenspaal na de andere: 143, 144, 145.







Chemin de Moréfagne
Trôs Marêts

We steken de weg Hockai-Xhoffraix opnieuw over. Hier staat een kruis: het 'Croix Dehottay'. Grenspaal 146, 147, en weer een kruis, het 'Croix Delvoie'. Hier ontspringt de Ru de Tarnion. Een beetje verder nemen wij een weg naar rechts.







Chemin de Moréfagne
Monument Fredericq

Na een kleine kilometer slaan wij aan het eerste kruispunt linksaf. Na een zeer lange kilometer nu slaan we weer linksaf, na 250 meter rechtsaf en een bruggetje brengt ons over de 'Hoëgne'. Na het bruggetje slaan we linksaf en deze weg leidt ons na anderhalve kilometer naar de 'Pont du centenaire'. We heb­ben uren gelopen zonder iemand te ontmoeten, alleen met de rust en de stilte van het woud, waar alleen het klateren van een beekje voor geluid zorgde. Hier aan de Pont du centenaire lijken we plotseling op een kermis te komen, zoveel volk loopt er rond.







Chemin de Moréfagne
Pont du centenaire

Wandelaars die van de 'Baraque Michel' komen, natuurliefhebbers die met de auto zijn gekomen. De auto's staan geparkeerd aan de overkant van de Hoëgne, op de weg die van Hockai komt. Zij kunnen niet verder, tenzij ze door het water willen rijden, wat hier best mogelijk is maar voor een gewone aangedreven auto toch niet aan te raden, het bruggetje is alleen voor voetgangers.
Een eind voor het bruggetje, net ver genoeg van de druk­te, werpen wij onze rugzakken af. Jos begint dadelijk met de bereiding van het middagmaal. Ik trek mijn laarzen en kousen uit en baad mijn voeten in het ijskoude water van de Hoëgne. Op elke hiel prijkt een blaar. Ik verzorg mijn voeten en daarna kan ik aanschuiven aan het maal. Smake­lijk Jos.

Zoals gisteren nemen wij ook vandaag alle tijd om het eten op ons gemak binnen te spelen. We genieten van het uit­zicht en van de rustige drukte: kinderen die ook pootje baden en luid gillend de koude trotseren. Het is vooral de lente die veel mensen naar buiten drijft, de onrust die weer van vele trekkers bezit zal nemen. In iedereen schuilt een zwerver, een onuitwisbare herinnering aan de tijd dat alle mensen nomaden waren. Als de bomen beginnen te botten, begint ook dat zwerversbloed weer sneller te stromen.
We steken het bruggetje over en volgen de linkeroever van de Hoëgne tot aan de 'Passerelle de Belle-Hé', een afdaling van 525 naar 360 meter, in vogelvlucht een afstand van 3.250 meter.
Jos had me gewaarschuwd: "Hou je fototoestel maar schietensklaar: het ene mooie uitzicht volgt op het andere." Hij heeft niet in het minste overdreven.







Chemin de Moréfagne
De Hoëgne

Terwijl wij links en rechts van de Hoëgne afdalen, volgt de ene waterval al fotogenieker na de andere. Het riviertje heeft zich een diepe bedding uitgeslepen, bezaait met talrijke en soms reusach­tige rotsblokken; vele watervallen roepen om bewondering en om gefotografeerd te worden.







Chemin de Moréfagne
De Hoëgne

Het gaat bergaf en dat is gemakkelijk, maar je moet toch goed uitkijken om niet uit te glijden op spekgladde boom­wortels en te struikelen over rotsen.
Enkele jaren later doe ik met drie vrienden dit stuk bergop­waarts in de stromende regen, want dit traject is ook een deel van de GR5.
Van de Passerelle de Belle-Hé lopen wij door het woud naar Solwaster. Jos' auto staat er nog. En onbeschadigd. Solwaster is Brussel of Amsterdam niet. We trekken onze laarzen uit en knappen ons een beetje op. In het café, niet ver van de kerk verwijderd, gaan wij een pint drinken. Ook dat doet deugd.
Mijn eerste kennismaking met de Hoge Venen werd een onvergetelijke belevenis.






Chemin de Moréfagne
Solwaster

Gebruikte kaart: deel 3 van 'Carte Touristique du plateau des Hautes Fagnes', schaal 1/20.000, een uitgave van 'Les amis de la Fagne'.
Literatuur:
- Onze Hoge Venen door Antoine Freyens, een uitgave van de Toeristische Federatie van de provincie Luik,
- Hoge Venen door Serge Jacquemart, een uitgave van Artis-Historia,
- Het Veenmysterie door Julien Van Remoortere, een BRT-uitgave. Een SF-verhaal naar het televisiefeuilleton, maar met veel informatie over de Hoge Venen,
- Wandelen door en langs de Hoge Venen, een gids voor dertig wandelingen, door Julien Van Remoortere. Een uitgave van Lannoo te Tielt.

* * *